ECLI:NL:CRVB:2012:BV7303
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek op 27 maart 2008 met vermoeidheidsklachten. De bedrijfsarts achtte haar vanaf 17 april 2008 geschikt voor lichte werkzaamheden. Een verzekeringsarts concludeerde eveneens dat appellante geschikt was voor haar werk, maar zij ging niet aan het werk. De arbeidsovereenkomst eindigde op 1 december 2008. Het UWV wees haar verzoek om een Ziektewet-uitkering af, wat door de rechtbank werd bevestigd.
In hoger beroep stelde appellante dat haar klachten per 1 december 2008 waren toegenomen en dat zij volledig arbeidsongeschikt was op psychische gronden. Zij bracht rapportages en verklaringen in van behandelend artsen en psychologen. De Raad concludeerde echter dat deze medische informatie onvoldoende stelligheid bevatte en niet overtuigend was ten opzichte van de uitvoerige rapportages van de verzekeringsartsen van het UWV.
De Raad stelde vast dat de problematiek van appellante eerder gedragsmatig van aard was en niet leidde tot arbeidsongeschiktheid in de zin van de Ziektewet. Latere diagnoses van een depressieve stoornis en somatoforme pijnstoornis waren na de relevante datum gesteld en boden onvoldoende grond om het standpunt van het UWV te wijzigen.
De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, wees het hoger beroep af en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV om geen Ziektewet-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.