ECLI:NL:CRVB:2012:BV7374

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-3044 ANW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 ANWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugwerkende kracht nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet

Appellant, wiens echtgenote in 2008 is overleden, heeft in februari 2010 een aanvraag ingediend voor een nabestaandenuitkering en een halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende de uitkeringen toe met ingang van maart 2009, één jaar terugwerkende kracht vanaf de datum van de aanvraag. Een langere terugwerkende kracht werd afgewezen omdat er geen sprake was van een bijzonder geval.

Appellant voerde aan dat een medewerker van de Svb telefonisch had aangegeven dat de aanvraag kon worden ingediend nadat de jaarcijfers van zijn tuinbouwbedrijf over 2008 beschikbaar zouden zijn, wat voor hem van belang was vanwege de fluctuatie in inkomen. Tevens werd een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, omdat in een vergelijkbare situatie een volledige terugwerkende kracht was toegekend.

De Raad overwoog dat het telefonische contact niet schriftelijk was vastgelegd en dat er geen concrete, verifieerbare gegevens waren om het beroep op het vertrouwensbeginsel te ondersteunen. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde wegens gebrek aan concrete onderbouwing. De Raad bevestigde daarom het besluit van de Svb en de rechtbank dat de uitkeringen slechts met één jaar terugwerkende kracht worden toegekend.

De Raad wees tevens een verzoek om vergoeding van proceskosten af en deed de uitspraak in het openbaar op 1 maart 2012.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de uitkeringen slechts met een terugwerkende kracht van één jaar worden toegekend en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

11/3044 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 april 2011, 10/7043 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb).
Datum uitspraak: 1 maart 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft J.H.A. Heetkamp, werkzaam bij Heetkamp administratie en advies te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2012. Namens appellant is de gemachtigde Heetkamp verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma.
II. OVERWEGINGEN
1.1. De echtgenote van appellant is [in] 2008 overleden. Appellant heeft in februari 2010 een aanvraag om een nabestaandenuitkering en een halfwezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) ingediend bij de Svb.
1.2. Bij besluit van 25 maart 2010 heeft de Svb met ingang van maart 2009 een nabestaandenuitkering en een halfwezenuitkering aan appellant toegekend. Daarbij is overwogen dat er geen aanleiding bestaat de uitkeringen met een langere terugwerkende kracht dan één jaar voor het opsturen van de aanvraag toe te kennen, omdat er geen sprake is van een bijzonder geval.
1.3. Bij beslissing op bezwaar van 6 september 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen de ingangsdatum van de uitkeringen ongegrond verklaard. In het bijzonder is daarbij overwogen dat een beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van een bijzonder geval op grond van opgewekt vertrouwen. Volgens appellant heeft een medewerker van de Svb hem tijdens een telefoongesprek verteld dat een aanvraag om een ANW-uitkering kon worden ingediend nadat de jaarcijfers over 2008 van het tuinbouwbedrijf van appellant gereed zouden zijn. Dat was voor appellant voor belang, omdat de omzet over een jaar in een tuinbouwbedrijf fluctuerend is, en toekenning van een ANW-uitkering afhankelijk is van zijn inkomen. Appellant zou het als zeer kwetsend ervaren als hij de ANW-uitkering achteraf bezien had moeten terugbetalen. Ter zitting van de rechtbank, waarnaar appellant heeft verwezen, is voorts een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, omdat de Svb in een soortgelijke situatie als die van appellant met een volledige terugwerkende kracht tot aan de datum van het overlijden een ANW-uitkering heeft toegekend.
4.1. De Raad overweegt het volgende.
4.2. Tussen partijen is in geschil of de Svb terecht heeft besloten aan appellant eerst met ingang van maart 2009 uitkeringen ingevolge de ANW toe te kennen.
4.3. De Svb heeft de nabestaandenuitkering en de halfwezenuitkering van appellant op grond van artikel 33, vierde lid, van de ANW toegekend met een terugwerkende kracht van één jaar. Ingevolge dit artikellid kan het recht op uitkering niet worden vastgesteld over perioden gelegen voor één jaar voorafgaand aan de dag waarop de Svb de aanvraag heeft ontvangen. In de tweede volzin van dit artikellid is voorts bepaald dat de Svb in bijzondere gevallen bevoegd is af te wijken van het bepaalde in de eerste volzin. Daarbij beoordeelt de Svb eerst of sprake is van een bijzonder geval. Wanneer daarvan sprake is hanteert de Svb het beleid dat van de bevoegdheid om af te wijken van de eerste volzin slechts gebruik wordt gemaakt als tevens sprake is geweest van financiële hardheid bij de betrokkene.
4.4. De Raad is met de Svb en de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 33, vierde lid, van de ANW. Daartoe neemt de Raad in aanmerking dat het door appellant gestelde telefonische onderhoud met een medewerker van de Svb niet schriftelijk is vastgelegd. Reeds daarom slaagt bij gebreke van concrete, verifieerbare informatie over dat onderhoud een beroep op het vertrouwensbeginsel niet. Evenmin slaagt een beroep op het gelijkheidsbeginsel, nu dit beroep niet met concrete, verifieerbare gegevens is onderbouwd.
4.5. Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2012.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) Z. Karekezi.
JL