ECLI:NL:CRVB:2012:BV7374
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugwerkende kracht nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet
Appellant, wiens echtgenote in 2008 is overleden, heeft in februari 2010 een aanvraag ingediend voor een nabestaandenuitkering en een halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende de uitkeringen toe met ingang van maart 2009, één jaar terugwerkende kracht vanaf de datum van de aanvraag. Een langere terugwerkende kracht werd afgewezen omdat er geen sprake was van een bijzonder geval.
Appellant voerde aan dat een medewerker van de Svb telefonisch had aangegeven dat de aanvraag kon worden ingediend nadat de jaarcijfers van zijn tuinbouwbedrijf over 2008 beschikbaar zouden zijn, wat voor hem van belang was vanwege de fluctuatie in inkomen. Tevens werd een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, omdat in een vergelijkbare situatie een volledige terugwerkende kracht was toegekend.
De Raad overwoog dat het telefonische contact niet schriftelijk was vastgelegd en dat er geen concrete, verifieerbare gegevens waren om het beroep op het vertrouwensbeginsel te ondersteunen. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde wegens gebrek aan concrete onderbouwing. De Raad bevestigde daarom het besluit van de Svb en de rechtbank dat de uitkeringen slechts met één jaar terugwerkende kracht worden toegekend.
De Raad wees tevens een verzoek om vergoeding van proceskosten af en deed de uitspraak in het openbaar op 1 maart 2012.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de uitkeringen slechts met een terugwerkende kracht van één jaar worden toegekend en wijst het hoger beroep af.