AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor arbeid als productiemedewerker
Appellant was werkzaam als productiemedewerker toen hij wegens nekklachten uitviel en een Ziektewetuitkering ontving. Het UWV beëindigde deze uitkering per 28 september 2009 na een medisch onderzoek door verzekeringsartsen die concludeerden dat appellant geschikt was om zijn arbeid te hervatten. Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij ook rekening was gehouden met psychische klachten. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad stelt vast dat de medische onderzoeken, inclusief het rapport van de behandelende psychiater, voldoende grond bieden om te concluderen dat appellant in staat is zijn werkzaamheden te hervatten.
Appellant bracht in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens aan die tot een andere conclusie zouden leiden. De Raad ziet dan ook geen reden om een onafhankelijk deskundige in te schakelen. Het hoger beroep wordt verworpen en de beslissing van het UWV blijft in stand. Tevens wordt het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant wordt beëindigd omdat hij geschikt is bevonden voor zijn arbeid als productiemedewerker.
Uitspraak
10/4110 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 11 juni 2010, 09/5126 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 29 februari 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. drs. Th.C.P.M. van Boekel, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 18 januari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.M. van der Marel, kantoorgenoot van mr. drs. Van Boekel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant was werkzaam als productiemedewerker voor 24 uren per week bij [naam werkgever], toen hij op 13 oktober 2008 voor zijn werk met nekklachten uitviel. Naar aanleiding van die ziekmelding heeft appellant een paar keer het spreekuur van de verzekeringsarts bezocht. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 28 september 2009 geschikt is te achten voor zijn arbeid. Bij besluit van 23 september 2009 is appellants uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) beëindigd met ingang van 28 september 2009. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt.
2. Bij besluit van 29 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 september 2009 ongegrond verklaard. Daaraan is het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 22 oktober 2009 ten grondslag gelegd.
3. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek van de verzekeringsartsen naar de medische gesteldheid van appellant voldoende zorgvuldig is geweest, aangezien die artsen appellant op hun spreekuur hebben gezien en medische informatie van de behandelende sector bij hun beoordeling van appellants belastbaarheid hebben betrokken. Volgens de rechtbank beschikten de verzekeringsartsen over een voldoende volledig beeld van de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding en waren zij op de hoogte van de door hem gestelde klachten, met name de psychische klachten. De rechtbank heeft de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts onderschreven dat, gelet op de brief van de behandelende psychiater van 27 januari 2010, de dwangklachten en sterke stemmingswisselingen van appellant goeddeels zijn afgenomen en dat, indien moet worden aangenomen dat voormelde klachten stress gerelateerd zijn, deze geen belemmering vormen voor appellant om zijn eigen werkzaamheden te verrichten, aangezien deze werkzaamheden niet stressvol noch fysiek zwaar zijn.
4. In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar de gronden in beroep bij de rechtbank, de juistheid van de uitspraak betwist.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Dit is in het geval van appellant de functie van productiemedewerker voor 24 uren per week bij [naam werkgever].
5.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medische onderzoek dat het Uwv ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De verzekeringsarts heeft naast de bevindingen van het eigen onderzoek ook de beschikking gehad over informatie van de behandelende psychiater. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts appellant op het spreekuur van 21 oktober 2009 onderzocht en bij de beoordeling ook alle dossiergegevens van appellant betrokken. Op grond van de door appellant verstrekte informatie, de eigen onderzoeksbevindingen en de reeds aanwezige gegevens, waaronder die van de curatieve sector, heeft de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad terecht kunnen concluderen dat appellant met zijn beperkingen in het sociale verkeer op de datum in geding in staat moet worden geacht om zijn werkzaamheden als productiemedewerker te hervatten.
5.3. De Raad onderschrijft bovendien de opvatting van de bezwaarverzekeringsarts in het rapport van 1 maart 2010 dat voor de in 5.2 weergegeven conclusie eveneens steun wordt gevonden in de door appellant bij de rechtbank ingebrachte brief van zijn behandelende psychiater van 27 januari 2010. Uit deze brief komt naar voren dat de klachten van appellant na het starten van de medicatie in september 2009 zijn afgenomen, hoewel nog geen volledige remissie is bereikt. Volgens de behandelende psychiater is nog steeds sprake van exacerbaties die moeilijk te anticiperen zijn, maar duidelijk verband houden met toename van stress. Aangezien tussen partijen niet in geschil is dat de eigen werkzaamheden van appellant niet stressvol zijn, moet hij desondanks in staat geacht worden zijn eigen arbeid te verrichten. Appellant heeft in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die een ander licht op zijn beperkingen werpen. De Raad ziet daarom geen reden om een onafhankelijk deskundige in te schakelen.
6. Hetgeen onder 5.1 tot en met 5.3 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv op goede gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 28 september 2009 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Bij deze uitkomst is voor de door appellant gevraagde veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade geen ruimte.
7. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
De uitspraak is gedaan door M. Greebe in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 februari 2012.