ECLI:NL:CRVB:2012:BV7594
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering AOW-pensioen aan derde echtgenote op grond van nationale en verdragsrechtelijke bepalingen
Appellante, geboren in 1944 en derde echtgenote van de overledene [M.], diende een aanvraag in voor een AOW-uitkering. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees deze af omdat zij niet verzekerd was voor de AOW en volgens het beleid alleen de eerste echtgenote aanspraak kan maken op huwelijkse tijdvakken. Dit beleid is gebaseerd op het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Marokko (NMV).
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze beslissing ongegrond. De rechtbank stelde vast dat appellante niet verplicht of vrijwillig verzekerd was en dat het beleid van de Svb in geval van polygamie alleen huwelijkse tijdvakken van de eerste echtgenote erkent. De tweede echtgenote kan alleen aanspraak maken op tijdvakken waarop de eerste echtgenote geen recht heeft, maar appellante was de derde echtgenote.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat zij rechten ontleent aan het feit dat haar overleden echtgenoot in Nederland heeft gewoond en gewerkt. De Raad voegde toe dat op grond van het NMV tot het overlijden van [M.] in 2001 alleen tijdvakken ten behoeve van de eerste echtgenote in aanmerking komen. Er is geen bewijs dat appellante als derde echtgenote aanspraak kan maken op enige tijdvakken.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter C.W.J. Schoor op 1 maart 2012.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt afgewezen en de weigering van een AOW-pensioen wordt bevestigd.