ECLI:NL:CRVB:2012:BV8343

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-4945 TW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 ToeslagenwetAlgemene Kinderbijslagwet
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling recht op toeslag ingevolge de Toeslagenwet bij afwezigheid kinderbijslag

Appellante verzocht het UWV om een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) in aanvulling op haar Wajong-uitkering. Het UWV wees de aanvraag aanvankelijk af. In hoger beroep werd de ingangsdatum van de toeslag aangepast naar 1 januari 2006. Appellante stelde dat zij vanaf 2002 recht had op toeslag, mede omdat zij onderhoudsbijdrage betaalde voor haar zoon.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat volgens artikel 2 van Pro de TW recht op toeslag vereist dat de aanvrager kinderbijslag ontvangt of zal ontvangen voor een kind jonger dan 18 jaar. Omdat appellante in de periode 2002-2006 geen kinderbijslag ontving, voldeed zij niet aan deze voorwaarde. Daarnaast was haar Wajong-uitkering gelijk aan het sociaal minimum, waardoor zij ook niet in aanmerking kwam voor toeslag als ongehuwde alleenstaande.

De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De beslissing werd uitgesproken door rechter T. Hoogenboom op 9 maart 2012.

Uitkomst: Hoger beroep afgewezen; geen toeslag over 2002-2006 wegens ontbreken kinderbijslag en inkomensvoorwaarde.

Uitspraak

11/4945 TW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 juli 2011, 10/371(aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 9 maart 2012
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2012.
Appellante is verschenen, bijgestaan door haar curator [naam curator]. Het Uwv is, met bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Op 27 oktober 2006 heeft appellante het Uwv verzocht om, in aanvulling op haar Wajong-uitkering, in aanmerking te komen voor een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW). Bij besluit van 14 november 2006 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen.
1.2. Op 13 juli 2009 heeft appellante een nieuwe aanvraag om een toeslag ingevolge de TW ingediend. Bij besluit van
17 september 2009 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 13 juli 2009 een toeslag ingevolge de TW toegekend. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van de toeslag. Bij besluit van 3 december 2009 (bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 september 2009 gegrond verklaard, in die zin dat de toeslag niet per 13 juli 2009 maar per 13 juli 2008 wordt toegekend.
2.1. Hangende het beroep bij de rechtbank heeft het Uwv een nieuw beslissing op bezwaar van 30 november 2010 (bestreden besluit II) ingezonden, waarbij het bezwaar opnieuw gegrond is verklaard voor zover het de ingangsdatum van de toeslag betreft. De datum waarop de toeslag ingaat, is gewijzigd naar 1 januari 2006.
2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond verklaard.
3. Appellante kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak. Evenals in beroep stelt appellante zich op het standpunt dat zij vanaf 2002 recht heeft op een toeslag. Zij betaalt al sinds 2002 een onderhoudsbijdrage voor haar zoon [naam zoon].
4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling van de aangevallen uitspraak.
4.2. In geschil is of appellante in de periode 1 januari 2002 tot 1 januari 2006 aanspraak kon doen gelden op een uitkering op grond van de TW.
4.3. Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de TW, heeft recht op een toeslag een ongehuwde, die een kind heeft jonger dan 18 jaar, dat niet als eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind tot het huishouden van een ander behoort en voor wie hij op grond van de Algemene Kinderbijslagwet kinderbijslag ontvangt dan wel zal ontvangen.
4.4. Ingevolge artikel 2, derde lid van de TW, heeft, behoudens het vierde lid, recht op een toeslag een ongehuwde die per dag een inkomen heeft dat lager is dan 70% van het minimumloon.
4.5. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, zie de uitspraak van 15 juni 2001, LJN AL3565, duidt de zinsnede ‘kinderbijslag ontvangt dan wel zal ontvangen’ in artikel 2, tweede lid, sub b, van de TW erop dat vast moet staan dat aanspraak op kinderbijslag bestaat, hetgeen in beginsel slechts het geval is indien door het bevoegde orgaan aan de betrokkene kinderbijslag is toegekend.
4.6. Nu vast staat dat appellante in de periode 1 januari 2002 tot 1 januari 2006, zoals blijkt uit de brief van de Sociale Verzekeringsbank van 24 augustus 2009, geen kinderbijslag heeft ontvangen, voldoet zij niet aan de in artikel 2, tweede lid, sub b, van de TW genoemde voorwaarde voor het recht op toeslag. Evenmin heeft appellante over deze periode recht op een toeslag voor een ongehuwde alleenstaande ingevolge artikel 2, derde lid, omdat de hoogte van haar Wajong-uitkering gelijk is aan het voor appellante relevante sociaal minimum van 70% van het minimumloon.
5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2012.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) I.J. Penning.
JL