ECLI:NL:CRVB:2012:BV8695

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-2164 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens niet onafgebroken arbeidsongeschiktheid

Appellant viel op 24 mei 1994 uit wegens rugklachten en ontving aanvankelijk een Ziektewetuitkering. Op 9 augustus 1994 werd het ziekengeld stopgezet omdat hij niet langer arbeidsongeschikt werd geacht. Appellant vertrok in juni 1994 naar Marokko en diende pas in april 2009 een aanvraag in voor een WAO-uitkering.

Het UWV weigerde de WAO-uitkering omdat appellant niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt was geweest na zijn uitval. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat uit de stukken geen verslechtering van zijn medische toestand na 18 juli 1994 bleek en dat hij sinds juni 1994 niet meer verzekerd was.

In hoger beroep voerde appellant aan dat hij Nederland ziek had verlaten en nog steeds onder behandeling was in Marokko. De Raad overwoog echter dat appellant hersteld was verklaard per 18 juli 1994 en dat er geen bewijs was dat hij binnen vier weken daarna opnieuw arbeidsongeschikt werd. Daarom was de weigering van de WAO-uitkering terecht.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens het niet voldoen aan de 52 weken onafgebroken arbeidsongeschiktheid en het ontbreken van verzekering sinds vertrek uit Nederland.

Uitspraak

11/2164 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2011, 10/1511 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 9 maart 2012
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2012. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door A. Anandbahadoer.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is op 24 mei 1994 wegens rugklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als betonvlechter. Appellant is ter zake van die uitval in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Ziektewet. Bij besluit van 9 augustus 1994 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv verder ziekengeld geweigerd met ingang van 18 juli 1994, daar hij niet langer ongeschikt werd geacht voor zijn arbeid. Tegen dat besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend. In juni 1994 is appellant teruggekeerd naar Marokko.
1.2. In april 2009 heeft appellant een aanvraag voor een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ingediend. Appellant heeft aangegeven dat hij destijds in Nederland zwaar werk heeft verricht en als gevolg daarvan rugklachten heeft gekregen. Ook is sprake van psychische klachten.
2.1. Bij besluit van 2 december 2009 heeft het Uwv geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering, op de grond dat hij na de uitval op 24 mei 1994 niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest.
2.2. Bij besluit van 26 februari 2010 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 december 2009 ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat vaststaat dat appellant vanaf mei 1994 geen 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest. Uit de door appellant overgelegde stukken valt niet af te leiden dat zijn medische toestand vanaf de hersteldverklaring per 18 juli 1994 is verslechterd. Van de gestelde chronische lage rugpijn is een verklaring overgelegd die dateert uit 2009. Uit de overgelegde stukken blijkt voorts niet welke diagnose door zijn behandelend artsen is gesteld en welke behandeling hij daarvoor heeft gevolgd. De stelling dat appellant vanaf 1991 aan een psychosomatische aandoening lijdt is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Van de gestelde behandeling in Nederland zijn geen stukken overgelegd. Appellant heeft zich pas in april 2009 tot de CNSS gewend. Aangezien appellant in juni 1994 Nederland heeft verlaten, was hij vanaf dat moment niet meer verzekerd voor de sociale verzekeringswetten.
4. In hoger beroep heeft appellant benadrukt dat hij heeft gewoond en gewerkt in Nederland en dat hij Nederland ziek heeft verlaten, met chronische rugpijn en een psychische ziekte. Hij is nog steeds ziek en nog steeds onder behandeling daarvoor in Marokko.
5. De Raad overweegt dat hij zich kan verenigen met de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel. Vast staat dat appellant destijds na zijn uitval op 24 mei 1994 hersteld is verklaard per 18 juli 1994. Gelet daarop en mede in aanmerking genomen dat, naar door bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek is aangegeven in haar rapport van 9 februari 2010, niet is kunnen blijken dat appellant binnen een tijdvak van vier weken na die hersteldverklaring opnieuw arbeidsongeschikt is geworden, bestaat er geen grond voor het oordeel dat het Uwv de onderhavige weigering van WAO-uitkering niet met recht heeft kunnen baseren op de grond dat de wachttijd van 52 weken niet is vervuld. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2012.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) G.J. van Gendt.
EK