ECLI:NL:CRVB:2012:BV8976
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Weigering periodieke WUBO-uitkering wegens ontbreken causale invaliditeit bij VUT
Appellant, geboren in 1936, diende in 1992 een aanvraag in op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo) en ging toen met vervroegd pensioen (VUT). Destijds werd geen blijvende invaliditeit als gevolg van oorlogsgeweld vastgesteld. In 2010 diende appellant een nieuwe aanvraag in, waarbij een toeslag werd toegekend wegens blijvende invaliditeit, maar een periodieke uitkering werd geweigerd omdat appellant in 1992 niet arbeidsongeschikt was door oorlogsletsel.
De Raad beoordeelde medische rapporten van verschillende artsen en concludeerde dat er in 1992 geen causale relatie bestond tussen de klachten van appellant en het oorlogsverleden die hem dwong te stoppen met werken. Latere verergering van psychische problematiek werd erkend, maar deze was niet terugwerkend van invloed op de situatie in 1992.
De Raad achtte het besluit van de Sociale verzekeringsbank voldoende gemotiveerd en deugdelijk voorbereid. Het beroep van appellant werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard; weigering van periodieke WUBO-uitkering blijft gehandhaafd.