ECLI:NL:CRVB:2012:BV9427

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4541 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het recht op ziekengeld na ziekmelding en geschiktheid voor arbeid

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellante, die zich ziek heeft gemeld vanuit een uitkeringssituatie in het kader van de Werkloosheidswet. Appellante, voorheen werkzaam als schoonmaakster, meldde zich op 11 december 2008 ziek met klachten van nekpijn en duizeligheid. De verzekeringsarts J.M. Blankenberg concludeerde dat appellante met ingang van 27 april 2009 geschikt was voor haar werk als schoonmaakster. Het Uwv heeft vervolgens op 22 april 2009 besloten dat appellante geen recht meer had op ziekengeld. Na een herbeoordeling door bezwaarverzekeringsarts L.T.M. Lenders werd het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard, waarbij zij het rapport van de bezwaarverzekeringsarts als doorslaggevend beschouwde.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat het Uwv geen rekening heeft gehouden met haar medische geschiedenis, waaronder zes miskramen, en dat er onvoldoende rekening is gehouden met de toename van haar duizeligheidsklachten. Appellante heeft informatie overgelegd van haar behandelend artsen, waaronder een neuroloog, en verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen. De Raad overweegt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de bezwaarverzekeringsarts inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom appellante geschikt wordt geacht voor haar werk. De Raad concludeert dat er geen aanleiding is om het eerdere standpunt te wijzigen en dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

De uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, met K.E. Haan als griffier, en is openbaar uitgesproken op 21 maart 2012.

Uitspraak

10/4541 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 juni 2010, 09/2308 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 21 maart 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J. van den Bogart, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Bogart. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante, voorheen werkzaam als schoonmaakster, heeft zich vanuit een uitkeringssituatie in gevolge de Werkloosheidswet per 11 december 2008 ziek gemeld met klachten van de nek en duizeligheid. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellante twee maal het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts J.M. Blankenberg. Deze arts is tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van 27 april 2009 geschikt kan worden geacht voor haar laatst verrichte werk als schoonmaakster. Bij besluit van 22 april 2009 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij dienovereenkomstig met ingang van 27 april 2009 geen recht meer heeft op ziekengeld.
1.2. Na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts L.T.M. Lenders heeft het Uwv bij besluit van 29 mei 2009 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 april 2009 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank doorslaggevende betekenis toegekend aan het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 29 mei 2009.
3. In hoger beroep voert appellante aan dat het Uwv geen rekening heeft gehouden met het feit dat zij zes keer een miskraam heeft gehad. Door tevens geen rekening te houden met een toename van de duizeligheidsklachten en het niet willen benaderen van de behandelend artsen is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld. Appellante heeft daarbij informatie overgelegd van een fysio- en manueeltherapeut en neuroloog B.P.C. van de Warrenburg. Ten slotte verzoekt zij de Raad om een neuroloog als onafhankelijk deskundige te benoemen.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak moet onder “zijn arbeid” worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.
4.3. De Raad ziet geen aanleiding het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de verzekeringsarts appellante op de spreekuren van 18 februari 2009 en 22 april 2009 heeft onderzocht en daarbij op de hoogte was van de klachten van duizelingen, flauwvallen en hyperventilatie. Ook was de verzekeringsarts bekend met het feit dat appellante zes keer een miskraam heeft gehad. De bezwaarverzekeringsarts Lenders heeft vervolgens het dossier bestudeerd en appellante op het spreekuur van 20 mei 2009 onderzocht. In zijn rapport van 29 mei 2009 heeft hij te kennen gegeven dat appellante inmiddels zeven jaar klachten heeft die volstrekt onveranderd zijn gebleven en waarvoor ook geen enkele behandeling is gestart. Objectief heeft de bezwaarverzekeringsarts geen duidelijke pathologie als verklaring voor haar aanhoudende klachten kunnen vinden of aannemen. Dit leidt volgens de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie dat appellante gedurende een periode van anderhalf jaar in het laatst verrichte werk als schoonmaakster in dezelfde medische toestand als op de datum hier in geding kennelijk adequaat heeft gefunctioneerd. Appellante moet dan ook voor dit werk geschikt worden geacht. In de in hoger beroep overgelegde medische informatie van de neuroloog en de fysio- en manueeltherapeut heeft de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gezien het eerdere standpunt te wijzigen. Daarbij heeft hij te kennen gegeven dat deze informatie ziet op een periode ver na de datum in geding en door neuroloog Van de Warrenburg tevens geen classificerende diagnose is gesteld. Uit het vorenstaande volgt dat de bezwaarverzekeringsarts, naar het oordeel van de Raad, inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom appellante met ingang van 27 april 2009 geschikt moet worden geacht voor haar werk als schoonmaakster. Voor een benoeming van een onafhankelijk deskundige ziet de Raad dan ook geen aanleiding.
4.4. Hetgeen onder 4.2 en 4.3. is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2012.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) K.E. Haan.
TM