ECLI:NL:CRVB:2012:BV9540
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor eigen werk bevestigd
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar Ziektewetuitkering per 26 oktober 2009 te beëindigen, omdat zij volgens het UWV niet langer ongeschikt was voor arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en hechtte waarde aan het onderzoek van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts. In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische en lichamelijke klachten onvoldoende waren meegewogen, onderbouwd met een aanvullende verklaring van haar psychiater.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig en weloverwogen was. Zowel lichamelijke als psychische aspecten waren onderzocht, waarbij ook informatie van andere zorgverleners was meegewogen. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen, ook niet op basis van de aanvullende verklaring van de psychiater.
De Raad concludeerde dat de psychische klachten vooral voortkwamen uit psychosociale omstandigheden en dat er geen duidelijke psychopathologie was vastgesteld. Het UWV had daarom op goede gronden de uitkering beëindigd. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om proceskostenvergoeding werd niet toegewezen.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellante is terecht beëindigd wegens geschiktheid voor eigen werk.