ECLI:NL:CRVB:2012:BV9779
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen weigering toestemming werkzaamheid consortium
In deze zaak ging appellant in hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage waarin werd geoordeeld dat een brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, waarin werd geweigerd toestemming te verlenen voor werkzaamheid bij een consortium, geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze brief niet-ontvankelijk omdat de brief niet kwalificeerde als een bestuursrechtelijk besluit. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en overweegt dat er geen publiekrechtelijke grondslag bestaat voor de beslissing van de minister om de toestemming te weigeren.
Daarmee is vastgesteld dat de brief van 8 september 2010 geen besluit is in de zin van de Awb en dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 12 maart 2012, waarbij partijen mondeling zijn gehoord en vertegenwoordigd door hun advocaten en rechtsbijstandverleners.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de brief geen besluit is en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk.