ECLI:NL:CRVB:2012:BW0054

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5262 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
  • C.W.J. Schoor
  • C.P.M. Zeijen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 BeroepswetArt. 6:13 AwbArt. 6:24 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroep tegen besluit op bezwaar in WAO-uitkeringszaak

Appellante stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam die het beroep van betrokkene tegen een UWV-besluit ongegrond verklaarde. Het UWV had geweigerd betrokkene een WAO-uitkering toe te kennen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. De rechtbank had het beroep van betrokkene verworpen en appellante, die als derde partij had deelgenomen, ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante geen beroep had ingesteld tegen het bezwaarbesluit van het UWV, terwijl dit wel noodzakelijk was om ontvankelijk te zijn in het hoger beroep. Appellante werd niet in een nadeliger positie gebracht door de aangevallen uitspraak dan door het bezwaarbesluit. De Raad wees erop dat het niet instellen van beroep tegen het bezwaarbesluit appellante redelijkerwijs kan worden verweten.

De Raad stelde vast dat betrokkene aanvankelijk niet als partij wilde deelnemen aan het hoger beroep, en dat de gemachtigde van appellante niet namens betrokkene kon optreden. Op grond van de toepasselijke wettelijke bepalingen in de Awb werd het hoger beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroep tegen het bezwaarbesluit.

Uitspraak

10/5262 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 augustus 2010, 09/780 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (betrokkene)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 23 maart 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B. van Bekkum, juridisch adviseur bij Robidus Adviesgroep BV te Zaandam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft betrokkene de Raad doen weten niet als partij aan het geding in hoger beroep te willen deelnemen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2011.
Voor appellante was verschenen mr. Van Bekkum. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.drs. J. Hut.
Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.
De Raad heeft schriftelijk enkele vragen aan appellante gesteld, waarop mr. Van Bekkum heeft geantwoord bij brief van 14 oktober 2011, met bijlagen. Van Bekkum heeft onder meer aangegeven dat betrokkene zijn eerdere verklaring herroept en wenst deel te nemen aan het geding in hoger beroep.
Het Uwv heeft een reactie ingezonden bij brief van 14 oktober 2011.
Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 10 februari 2012. Voor appellante is verschenen mr. Van Bekkum. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Het Uwv heeft bij besluit van 15 augustus 2006 geweigerd aan betrokkene met ingang van 22 augustus 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen omdat hij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd. Bij besluit van 16 februari 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellante en betrokkene tegen het besluit van 15 augustus 2006 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 september 2008 (07/682) heeft de Rechtbank Rotterdam het beroep van betrokkene tegen het besluit van 16 februari 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt. Appellante heeft in die procedure als derde partij aan het geding deelgenomen.
1.2. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft het Uwv op 22 januari 2009 een nieuw besluit genomen en het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 15 augustus 2006 opnieuw ongegrond verklaard onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene op de datum in geding onveranderd minder dan 15% blijft. Tegen dit besluit van 22 januari 2009 heeft alleen betrokkene beroep ingesteld.
2. De rechtbank heeft het in 1.2 vermelde beroep in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3. Op de in het beroepschrift vermelde gronden heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
4.1. De Raad ziet geen aanleiding op grond van de enkele in rubriek I vermelde verklaring de in het antwoordformulier op 28 april 2011 door betrokkene tot uitdrukking gebrachte wilsverklaring dat hij niet als partij aan dit geding wil deelnemen, als herroepen te beschouwen. Daargelaten dat dit alleen onder bijzondere omstandigheden mogelijk kan worden aanvaard, wijst de Raad erop dat mr. Van Bekkum in de rubriek I vermelde brief optreedt als gemachtigde van appellante en niet mede namens betrokkene.
4.2. De Raad dient voorts te beoordelen of dit hoger beroep ontvankelijk is.
4.3. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet kan een belanghebbende hoger beroep instellen tegen een uitspraak van een rechtbank als in dit geding aan de orde.
In artikel 6:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, voor zover hier van belang, bepaald dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit op bezwaar door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt. Volgens artikel 6:24, eerste lid, van de Awb is onder andere artikel 6:13 van Pro overeenkomstige toepassing, indien hoger beroep kan worden ingesteld.
4.4. De Raad stelt vast dat mr. L. van den Heuvel, juridisch adviseur bij Robidus Adviesgroep B.V., in zijn beroepschrift aan de rechtbank, gedateerd 4 maart 2009, uitsluitend betrokkene heeft vermeld als degene namens wie beroep tegen het besluit van 22 januari 2009 wordt ingesteld. Gesteld noch gebleken is dat appellante anderszins beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 22 januari 2009.
Vast staat dat met de aangevallen uitspraak geen wijziging is aangebracht in de bij het besluit van 22 januari 2009 vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene. Dit brengt mee dat appellante door de aangevallen uitspraak niet in een nadeliger positie is geraakt dan door het besluit van 22 januari 2009.
Appellante heeft aangevoerd dat zij in een eerder stadium van de procedure wel rechtsmiddelen heeft aangewend en dat zij de beroepsprocedure van betrokkene en de kosten van de ingeschakelde arts-gemachtigde heeft bekostigd. De Raad overweegt dat een en ander niet meebrengt dat het achterwege blijven van beroep tegen het besluit van 22 januari 2009 redelijkerwijs niet aan appellante kan worden verweten. Op grond van artikel 6:13 in Pro verbinding met artikel 6:24 van Pro de Awb dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2012.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) J.R. Baas.
JL