ECLI:NL:CRVB:2012:BW0197
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant vroeg op 2 juni 2006 een uitkering aan op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Na ziekmelding op 25 september 2007 en een aanvraag op 15 september 2009 onderzocht het UWV zijn arbeidsongeschiktheid. Een verzekeringsarts stelde op 4 november 2009 vast dat appellant een gedeprimeerde stemming had, maar geen structurele veranderingen in belastbaarheid sinds de vorige beoordeling. De beperkingen werden vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige berekende een verlies aan verdienvermogen van 10,79%, wat resulteerde in minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.
Het UWV weigerde op 26 november 2009 de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medische onderzoek deugdelijk was en dat de arbeidskundige beoordeling conform de wettelijke eisen was. Ook werd geoordeeld dat appellant voldoende taalvaardigheid had voor de geduide functies, waaronder 'soldering technician'.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten over onvoldoende verwerking van beperkingen in de FML en ongeschiktheid voor de geduide functies. De Raad overwoog dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en volledig was en dat het UWV de beperkingen niet had onderschat. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en zag geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.