ECLI:NL:CRVB:2012:BW0212

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3129 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit beëindiging Ziektewet-uitkering na medisch onderzoek verzekeringsartsen

Appellante was sinds oktober 2005 arbeidsongeschikt wegens klachten aan de rechterschouder en ontving vanaf 2007 geen WIA-uitkering meer omdat zij passend werk kon verrichten. Na een periode met een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg meldde zij zich in april 2009 ziek. Het UWV beëindigde per 17 juni 2009 haar Ziektewet-uitkering en verklaarde het bezwaar hiertegen ongegrond. De rechtbank bevestigde dit besluit, stellende dat de beoordeling van de verzekeringsartsen zorgvuldig was en dat de maatstaf voor passende arbeid werd gevormd door eerder aan appellante voorgehouden functies.

Appellante bracht in hoger beroep nieuwe medische informatie in, waaronder een MRI-onderzoek uit mei 2010 waaruit een kleine hernia bleek. De Raad oordeelde echter dat deze bevinding niet relevant was voor de situatie op 17 juni 2009 en dat de klachten destijds niet overeenkwamen met de latere medische bevindingen. Ook latere medische stukken gaven geen aanleiding tot twijfel aan de eerdere beoordeling.

De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werden geen proceskosten toegekend. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Ch. van Voorst op 28 maart 2012.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering per 17 juni 2009.

Uitspraak

10/3129 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 april 2010, 09/6436 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 28 maart 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L.B. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2012.
Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooij-Bal.
II. OVERWEGINGEN
1. 1. Appellante is op 8 oktober 2005 wegens klachten van de rechterschouder uitgevallen voor haar werk als stekplukster. Met ingang van 3 oktober 2007 is appellante, in aansluiting op de wachttijd van 104 weken geen uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, omdat zij in passende functies een zodanig inkomen kon verdienen dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Nadien heeft appellante een werkloosheidsuitkering ontvangen.
1.2. Appellante heeft zich per 8 april 2009, in aansluiting op een periode waarin zij een uitkering ingevolge de Wet arbeid en zorg had ontvangen, ziek gemeld
2. Bij besluit van 17 juni 2009 is aan appellante meegedeeld, dat zij met ingang van deze datum geen recht meer had op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).
3. Bij besluit van 30 juli 2009 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 juni 2009 ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de rechtspraak van de Raad, vastgesteld dat de maatstaf voor de in aanmerking te nemen arbeid wordt gevormd door de aan appellante in het verleden voorgehouden functies, en wel elk van deze functies afzonderlijk. De rechtbank heeft verder beslissende betekenis toegekend aan de bevindingen van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts, die appellante op 17 juni 2009 respectievelijk 21 juli 2009 hebben onderzocht. De rechtbank zag geen aanleiding het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en heeft verder in aanmerking genomen dat appellante geen nadere medische informatie heeft ingebracht op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de juistheid van de beoordeling van de verzekeringsartsen.
5. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt voor de Raad geen reden voor een ander oordeel. Dat bij appellante op 6 mei 2010 bij een MRI-onderzoek van de lumbale wervelkolom een kleine HNP is ontdekt betekent niet, zoals de bezwaarverzekeringsarts in een commentaar van 15 juli 2010 heeft opgemerkt, dat die bevinding ook op de hier in geding zijnde datum 17 juni 2009 zou zijn gedaan. De klachten die appellante destijds uitte, passen volgens de bezwaarverzekeringsarts ook niet goed bij de nu ingebrachte bevindingen. Ook in de bij brief van 14 juli 2011 overgelegde medische stukken wordt volgens een rapport van 17 augustus 2011 van de bezwaarverzekeringsarts geen melding gemaakt van nog niet eerder onderkende afwijkingen. De Raad ziet geen reden om aan dit standpunt te twijfelen.
6. Uit hetgeen onder 5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
7. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2012.
(get.) Ch. van Voorst.
De griffier is buiten staat te ondertekenen
EK