ECLI:NL:CRVB:2012:BW0324

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-1097 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 WWBArt. 32 WWBArt. 19 WWBArt. 54 WWBArt. 58 WWB
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening bijstandsuitkering wegens kinderalimentatiebetalingen

Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder. Betalingen van haar ex-partner, bestemd als kinderalimentatie, werden vastgesteld op €200 in september en €200 in oktober 2008. Het college herzag daarop de bijstand en vorderde een bedrag terug wegens te hoge uitkering.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat de alimentatiebetalingen als inkomen moeten worden beschouwd en in mindering gebracht op de bijstand. De Raad achtte aannemelijk dat de betalingen afkomstig waren van de ex-partner en niet als incidentele giften konden worden gezien.

De Raad oordeelde dat het college bevoegd was de bijstand te herzien en de terugvordering van €400 netto te effectueren. Er waren geen gegronde bezwaren tegen de wijze van herziening of terugvordering. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.

Uitkomst: De bijstand van appellante werd terecht herzien en een bedrag van €400 netto teruggevorderd wegens ontvangen alimentatiebetalingen.

Uitspraak

10/1097 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 28 januari 2010, 09/584 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)
Datum uitspraak: 20 maart 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E.P. Groot, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 7 februari 2012. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante was sinds 7 oktober 1981 gehuwd met [G.]. Het huwelijk is op 20 oktober 1998 ontbonden. [G.] is alimentatieplichtig voor hun beider zoon [naam zoon], geboren op 30 oktober 1991. [G.] woont vanaf 1999 samen met [K.].
1.2. Appellante ontving sinds 11 september 1992 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.3. [G.] heeft op het “Inlichtingenformulier onderhoudsplicht”, dat door hem is ondertekend op 5 november 2008, vermeld dat hij twee keer € 200,-- heeft betaald aan appellante. Uit de bijgevoegde kopie van rekeningafschriften blijkt dat op 12 september 2008 een bedrag van € 200,-- is overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [I.K.] en op 15 oktober 2008 een bedrag van € 200,-- is overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer 2] ten name van [I.K.], beide met de omschrijving “alimentatie”. Uit de door appellante in de beroepsprocedure overgelegde stukken blijkt dat appellante op 12 september 2008 € 200,-- op haar rekening heeft ontvangen vanaf de en/of rekening van [K.] en dat haar zoon op 15 oktober 2008 € 200,-- op zijn rekening heeft ontvangen vanaf deze en/of rekening. Bij besluit van 2 maart 2009 heeft het college de bijstand van appellante herzien over de periode van 1 september 2008 tot en met 31 oktober 2008 en een bedrag van € 619,62 teruggevorderd op de grond dat appellante over de genoemde periode aanspraak heeft op alimentatie.
1.4. Bij besluit van 16 juni 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college heeft het besluit van 2 maart 2009 herroepen in die zin dat de terugvordering wordt beperkt tot het nettobedrag van € 400,--.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de WWB worden tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Artikel 32, eerste lid, onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, bepaalt dat onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in Pro aanmerking genomen middelen voor zover deze betreffen uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Onder b wordt vermeld dat deze middelen betrekking dienen te hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
4.2. De raad acht aannemelijk dat de onder 1.3 vermelde bedragen afkomstig zijn van [G.] aangezien deze zijn overgemaakt vanaf de en/of rekening van [K.]. Het college heeft in het kader van verhaal onderhoudsplicht [G.] op 30 september 2008 en op 21 oktober 2008 brieven alsmede het “Inlichtingenformulier onderhoudsplicht” gezonden. Mede gelet op deze correspondentie is aannemelijk dat de van [G.] afkomstige betalingen (kinder)alimentatie betreffen. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat, zoals appellante heeft aangevoerd, de betalingen een specifiek cadeau voor de verjaardag van de zoon en een incidentele gift betreffen.
4.3. De onder 4.2 bedoelde betalingen gelden ingevolge artikel 32, aanhef en onder a en b, van de WWB als inkomsten die met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WWB in mindering strekken op de bijstand van appellante over de maanden september 2008 en oktober 2008. Dat de als kinderalimentatie aan te merken betaling over de maand oktober 2008 kennelijk op de bankrekening van de minderjarige zoon [naam zoon] is overgemaakt doet hieraan niet af aangezien deze ten tijde in geding deel uitmaakte van het gezin van appellante en appellante toen bijstand ontving naar de norm voor een alleenstaande ouder.
4.4. Gelet op het vorenstaande is aan appellante over de maanden september 2008 en oktober 2008 tot een te hoog bedrag bijstand verleend. Dit betekent dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB de bijstand van appellante over deze maanden dienovereenkomstig te herzien. De wijze waarop van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt kan buiten bespreking blijven, omdat daartegen geen zelfstandige gronden zijn aangevoerd.
4.5. Het college was daarom ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd om de kosten van de als gevolg van de herziening over de maanden september 2008 en oktober 2008 teveel verleende bijstand tot een bedrag van € 400,-- netto van appellante terug te vorderen. De wijze waarop het college van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt blijft hier eveneens onbesproken aangezien ook daartegen geen zelfstandige gronden zijn aangevoerd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. Hillen en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2012.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) V.C. Hartkamp.
HD