ECLI:NL:CRVB:2012:BW2540

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 april 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4037 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21a BeroepswetArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep en proceskostenveroordeling door Centrale Raad van Beroep

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Utrecht, maar dit hoger beroep op 21 februari 2012 ingetrokken. Betrokkene verzocht vervolgens via haar advocaat om veroordeling van appellant in de proceskosten.

De Raad besloot het onderzoek ter zitting achterwege te laten en sloot het onderzoek. Vervolgens oordeelde de Raad dat appellant in de kosten van betrokkene moet worden veroordeeld, begroot op €437, uitsluitend voor het hoger beroep, omdat appellant reeds in eerste aanleg was veroordeeld tot kostenvergoeding.

De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 11 april 2012 en is openbaar uitgesproken. De proceskostenveroordeling is gebaseerd op artikel 21a van de Beroepswet en artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Appellant wordt veroordeeld tot betaling van €437 aan proceskosten aan betrokkene.

Uitspraak

10/4037 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 21a van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,
(appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 juni 2010, 09/1935
(aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], (betrokkene)
en
appellant
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Bij brief van 21 februari 2012 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken.
Bij brief van 10 februari 2012 heeft mr. M.R. Vossen, advocaat, namens betrokkene aan de Raad verzocht appellant te veroordelen in de proceskosten.
Appellant heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Artikel 21a, eerste lid, eerste volzin, van de Beroepswet bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van
artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan worden veroordeeld in de proceskosten.
De Raad stelt vast dat appellant het hoger beroep heeft ingetrokken en dat door
mr. M.R. Vossen, advocaat, namens betrokkene een verzoek om veroordeling van appellant in de proceskosten van betrokkene heeft gedaan.
De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 437,-- in hoger beroep.
Hierbij merkt de Raad nog op dat de vergoeding van de proceskosten beperkt dient te worden tot de kosten van het hoger beroep nu appellant reeds door de rechtbank is veroordeeld tot vergoeding van kosten in eerste aanleg.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 437,--, te betalen aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van
P.N. Rijnsewijn als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 april 2012.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) P.N. Rijnsewijn.
GdJ