ECLI:NL:CRVB:2012:BW3305

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 april 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-81 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.G. Treffers
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
  • A.A.M. Mollee
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:8 CAR/UWOArt. 10d:4 CAR/UWOArt. 8:72 AwbArt. 7:15 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag ambtenaar en toekenning aanvullende vergoeding wegens aandeel college

Appellante was jarenlang werkzaam als medewerker burgerzaken bij een gemeente en kampte sinds 2004 met langdurig ziekteverzuim. Na een beleidsrapport in 2007 over gebrek aan aansturing en een functioneringsprobleem, besloot het college in 2009 haar ontslag te verlenen met een minimale uitkeringsregeling en een outplacementbudget van €7.500.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders. De Raad stelde vast dat het college in overwegende mate heeft bijgedragen aan het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag leidde, onder meer door geen gefundeerde gronden te hebben voor het niet hervatten van appellantes functie en het niet volgen van het voorgestelde functioneringstraject.

Daarom was de minimale regeling onvoldoende en kende de Raad appellante een aanvullende vergoeding van €30.000 toe. Tevens veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van griffierechten en proceskosten van appellante. De uitspraak vervangt het vernietigde deel van het bestreden besluit.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot het toekennen van een aanvullende vergoeding van €30.000 aan appellante en tot vergoeding van haar proceskosten.

Uitspraak

11/81 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats], (appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 november 2010, 10/2341 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van [het college] (college)
Datum uitspraak: 19 april 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.J.M. Arentz-Veldkamp, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Arentz-Veldkamp. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.R. Boudrie, advocaat, en [G.].
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante, geboren in 1952, was van 1972 tot 1979 en vanaf 1987 gedurende 32 uur per week werkzaam op de afdeling Burgerzaken van de gemeente [naam gemeente] in de functie van medewerker burgerzaken en ambtenaar van de burgerlijke stand.
1.2. Vanaf 2004 heeft appellant haar werk regelmatig langdurig verzuimd wegens ziekte, vooral als gevolg van diverse operaties die zij heeft ondergaan. Na een knieoperatie in november 2007 was zij begin februari 2008 weer arbeidsgeschikt voor twee uur per dag.
1.3. Medio 2007 heeft een extern bureau in een beleidsrapportage over de afdeling Burgerzaken een gebrek aan duidelijke aansturing op die afdeling gesignaleerd. In september 2007 is K aangesteld als hoofd van de Sector Samenleving, waaronder het team Burgerzaken Welzijn valt. In de kennismakingsgesprekken met alle medewerkers kwamen naast de aansturing van de afdeling ook het veelvuldig ziekteverzuim van appellante, de gevolgen daarvan voor de afdeling en het functioneren van appellante aan de orde. Het bureau Geluk en Van der Valk (Geluk) kreeg daarna de opdracht om de mogelijkheden te bezien voor teambuilding en een mediation traject tussen appellante en een van haar collega’s. Geluk deed eind januari 2008 onder meer de aanbeveling de teamleider Burgerzaken uit zijn functie te ontheffen en te onderzoeken of het mogelijk is met appellante een traject aan te gaan, het verzuim en functioneren van appellante in kaart te brengen, haar daarmee te confronteren en de verwachtingen over haar functioneren wanneer zij weer arbeidsgeschikt is duidelijk te maken.
1.4. Op 5 februari 2008 vond een gesprek plaats tussen K en appellante. K bevestigde de inhoud van dat gesprek in een brief van 29 februari 2008 (brief) met als onderwerp stopzetting uitvoering werkzaamheden Burgerzaken. Aan appellante is meegedeeld dat terugkeer naar haar oude functie niet tot de mogelijkheden behoort. Als redenen zijn vermeld dat appellante mede door haar beperkte aanwezigheid niet beschikt over het niveau dat bij de functie wordt verwacht, dat uit het onderzoek van Geluk blijkt dat bij de medewerkers van Burgerzaken geen vertrouwen meer in appellante is als collega en dat terugkeer naar de huidige werkplek wordt afgeraden en dat K onvoldoende mogelijkheden bij appellante ziet tot zelfreflectie, zodat K geen kans ziet voor een verbeterplan dat tot terugkeer in de huidige functie zou kunnen leiden.
1.5. Appellante heeft in een reactie op de brief te kennen gegeven dat zij na haar herstel wil terugkeren naar de afdeling Burgerzaken en betwist dat dit niet meer mogelijk zou zijn. In een gesprek op 15 april 2008 over de re-integratie van appellante heeft K herhaald dat terugkeer geen optie is. Met ingang van 15 april 2008 is appellante volledig hersteld verklaard. Zij heeft in de periode daarna steeds de wens geuit om haar eigen werk te hervatten. Tot mediation met een collega kwam het niet wegens het vertrek van die collega naar een andere afdeling; de mediation tussen de gemeente en appellante leidde niet tot een oplossing. Begin 2009 nam het college het initiatief om te komen tot een minnelijke regeling om de aanstelling van appellante te beëindigen. Hierover zijn partijen het niet eens geworden.
1.6. Na het voornemen daartoe bekend te hebben gemaakt en appellante de gelegenheid te hebben geboden daarop te reageren, heeft het college appellante bij besluit van 3 november 2009 met ingang van 1 december 2009 ontslag uit haar functie van medewerker Burgerzaken en ambtenaar van de burgerlijke stand verleend op andere gronden als bedoeld in artikel 8:8 van Pro de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO). Daarbij is meegedeeld dat zij bij werkloosheid op 1 december 2009 aanspraak kan maken op een uitkering en dat haar een budget van maximaal € 7.500,-- ter beschikking wordt gesteld voor outplacement.
1.7. Appellante heeft zich op 12 november 2009 ziek gemeld. Zij ontving tot 10 november 2011 een uitkering op grond van de Ziektewet en aansluitend een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) in de vorm van een uitkering op grond van de Regeling Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten van bruto € 1.998,83 exclusief vakantiegeld.
1.8. Bij besluit van 31 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 3 november 2009 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 31 maart 2010 bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.
3.1. Ingevolge artikel 10d:4, eerste lid, van de CAR/UWO wordt voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 van Pro de CAR/UWO wordt ontslagen, een passende regeling getroffen. In dit geval is een minimale regeling getroffen, inhoudende dat de uitkeringsrechten van appellante zijn gegarandeerd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 7 oktober 2010, LJN BO1803 en TAR 2010, 175) kan de rechter slechts tot het oordeel komen dat een dergelijke minimale regeling onvoldoende is, als vast komt te staan dat het bestuursorgaan een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag heeft geleid, of als gezegd moet worden dat het bestuursorgaan met het oog op de omstandigheden van het geval een uitkeringsregeling die niet uitgaat boven het niveau van de reguliere uitkeringen, niet redelijk heeft kunnen achten. Het gaat hierbij niet om volledige schadevergoeding maar om compensatie voor dat aandeel. Daarbij is ook het aandeel van de ambtenaar van betekenis.
3.2. Tussen partijen is niet meer in geschil dat het college de bevoegdheid toekwam om appellante op de grond van artikel 8:8 van Pro de CAR/UWO ontslag te verlenen. Het hoger beroep is beperkt tot de vraag of een passende regeling is getroffen als bedoeld in artikel 10d:4, eerste lid, van de CAR/UWO. Volgens appellante is dit niet het geval, omdat het college een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en het voortbestaan van de situatie die tot haar ontslag heeft geleid.
3.3. Met appellante en anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college in overwegende mate heeft bijgedragen tot het ontstaan van de situatie die uiteindelijk tot het ontslag van appellante heeft geleid. Uit de brief blijkt onmiskenbaar dat het college in februari 2008 geen heil meer zag in het door Geluk aanbevolen functioneringstraject, vastbesloten was dat appellante na haar ziekteperiode niet kon en zou terugkeren in haar eigen functie en koerste op beëindiging van de aanstelling in die functie. Voor het standpunt van het college dat appellante haar werk niet kon hervatten is in de gedingstukken echter onvoldoende feitelijke grondslag te vinden. De informatie van K, die het college in beroep heeft ingezonden, is daartoe ontoereikend. Wat K daarin heeft opgemerkt over de samenwerking op de afdeling Burgerzaken en het functioneren van appellante is namelijk gebaseerd op gesprekken van K en Geluk met appellante en de overige medewerkers van de afdeling Burgerzaken die niet schriftelijk zijn vastgelegd. Bovendien bevatten de brief en de informatie van K opmerkingen over de visie van Geluk op de terugkeer van appellante en op haar vermogen tot zelfreflectie die geen steun vinden in de aanbevelingen van Geluk. Tot slot is in dit verband niet zonder betekenis dat het functioneren van appellante in december 2006 nog als voldoende tot goed is beoordeeld, waarbij geen zwakke punten konden worden genoemd, en dat daarna geen gedocumenteerd functioneringsgesprek meer heeft plaatsgevonden.
3.4. Ook in het voortbestaan van de ontstane situatie heeft het college een overwegend aandeel gehad. Het college heeft immers volhard in zijn niet gefundeerde weigering om appellante weer te werk te stellen in haar functie. Anders dan het college heeft betoogd, doet daaraan geen afbreuk dat appellante heeft vastgehouden aan haar wens tot terugkeer in haar functie, niet wilde meewerken aan het zoeken van ander werk binnen of buiten de gemeente [naam gemeente] en evenmin instemde met de voorgestelde minnelijke beëindigingsregeling.
3.5. Gezien al het voorgaande heeft het college niet kunnen volstaan met de bij het bestreden besluit toegekende minimale regeling, vermeerderd met € 7.500,- voor outplacement. Dat betekent dat het hoger beroep slaagt. De Raad ziet aanleiding om met betrekking tot de aan het ontslag te verbinden vergoeding, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zelf in de zaak te voorzien. Gezien de omstandigheden van appellante vormt toekenning van een bedrag van € 30.000,- een adequate compensatie.
4. Appellante heeft verzocht om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Nu het ontslagbesluit, voor zover daarbij geen aanvullende regeling is getroffen, wordt herroepen wegens aan het college te wijten onrechtmatigheid, is er aanleiding het college op grond van artikel 7:15 in Pro verbinding met artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de kosten van appellante in bezwaar. Deze kosten worden begroot op € 644,-. Ook is er aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 874,- in beroep en een bedrag van € 874,- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 31 maart 2010 gegrond en vernietigt dat
besluit voor zover daarin naast de minimale uitkeringsregeling geen aanvullende
vergoeding is toegekend;
- kent appellante in aanvulling op de toegekende uitkeringsgarantie een vergoeding toe tot
een bedrag van € 30.000,-, en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt
van het vernietigde deel van het besluit van 31 maart 2010;
- bepaalt dat het college aan appellante het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde
griffierecht van in totaal € 374,- vergoedt.
- veroordeelt het college in de kosten van appellante in verband met de behandeling van
het bezwaar, het beroep en het hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 2.392,-.
Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2012.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) N.M. van Gorkum.
HD