ECLI:NL:CRVB:2012:BW3639
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming UWV
Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een besluit van het UWV, maar trok dit beroep in nadat het UWV met een nieuwe beslissing op bezwaar geheel aan haar bezwaren tegemoet was gekomen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een integrale proceskostenvergoeding rechtvaardigen.
De Raad stelde vast dat de kosten van rechtsbijstand in bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs gemaakt waren en veroordeelde het UWV tot betaling van een forfaitaire vergoeding van in totaal € 2.380,--. Voor het griffierecht werd appellante verwezen naar het UWV.
De beslissing werd genomen op basis van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet, waarbij het Besluit proceskosten bestuursrecht leidend was voor de hoogte van de vergoeding. De Raad benadrukte dat alleen in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van de forfaitaire vergoeding, welke in deze zaak niet aanwezig waren.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan appellante van € 2.380,-- na intrekking van het hoger beroep wegens tegemoetkoming.