ECLI:NL:CRVB:2012:BW4228

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 april 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-1386 WAO-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 BeroepswetArt. 21 BeroepswetArt. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang

De Centrale Raad van Beroep heeft op 13 april 2012 het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Verzoeker stelde dat hij geen inkomsten meer had en daardoor spoedeisend belang had bij de voorziening. De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker onvoldoende bewijs had geleverd van zijn financiële situatie en dat hij onroerend goed in Spanje bezit. Hierdoor kon hij zijn vermogen aanwenden om het nadeel van de proceskosten en het griffierecht te dragen.

De voorzieningenrechter verwees naar de relevante artikelen uit de Beroepswet en de Algemene wet bestuursrecht en benadrukte dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen bij onverwijlde spoed. Tevens werd het subsidiaire verzoek om toepassing van het middel van “kortsluiting” afgewezen, omdat dit niet bedoeld is om de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen zonder spoedeisend belang.

De beslissing is gebaseerd op het ontbreken van een spoedeisend belang en de vaste rechtspraak van de Raad, waarbij het verzoek om voorlopige voorziening niet kan worden gebruikt om de hoofdzaak te versnellen. De uitspraak is in het openbaar gedaan en het verzoek is formeel afgewezen.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

12/1386 WAO-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep op 13 april 2012.
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats], Spanje (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Zitting heeft: T. Hoogenboom
Griffier: H.L. Schoor
Ter zitting zijn verschenen: mr. A.J.T.J. Meuwissen, gemachtigde van verzoeker, en mr. J. Visch, gemachtigde van het Uwv.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1. De voorzieningenrechter verwijst voor het procesverloop, de relevante feiten en de standpunten van partijen naar de dossierstukken en naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2012, 11/5851 WAO en 11/5852 WAO.
2. Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en Pro artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Ter zitting is namens verzoeker desgevraagd uiteengezet dat de spoedeisendheid in zijn geval is gelegen in het feit dat hij geen inkomsten meer heeft.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker zijn stelling dat hij onvoldoende middelen heeft onvoldoende heeft onderbouwd met stukken. Daarnaast is ter zitting gebleken dat verzoeker in Spanje onroerend goed in eigendom heeft. Op geen enkele wijze heeft verzoeker aannemelijk gemaakt dat hij zijn vermogen niet kan aanwenden om hangende het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak de gevolgen op te vangen van het nadeel dat hij stelt te lijden doordat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbend op het griffierecht en de proceskosten die verzoeker heeft betaald om in eerste aanleg een voorlopige voorziening aan te vragen, niet heeft bepaald dat deze posten door het Uwv moeten worden vergoed. Van een spoedeisend belang is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen sprake.
5. Voor zover verzoeker met zijn verzoek om een voorlopige voorziening subsidiair heeft verzocht om toepassing van het in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde middel van “kortsluiting”, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 1 oktober 2008, LJN BF6776, is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen niet bedoeld om door middel van “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.
Waarvan proces-verbaal.
Utrecht, 13 april 2012
De griffier De voorzitter
(get.) H.L. Schoor (get.) T. Hoogenboom
TM