AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Minister niet bevoegd tot ontslag ambtenaar wegens onvoldoende ongeschiktheid
Betrokkene, sinds 1980 politieambtenaar en vanaf 2006 werkzaam bij het Korps landelijke politiediensten, werd ontslagen wegens plichtsverzuim na het aangaan van een persoonlijke relatie met een zedenslachtoffer, Z. De minister legde hem ontslag op grond van artikel 94 BarpPro wegens ongeschiktheid op, nadat een oriënterend en disciplinair onderzoek was uitgevoerd.
De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het ontslagbesluit, stellende dat de gedragingen niet leidden tot ongeschiktheid en dat betrokkene geen verbeterkans had gekregen. De minister ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad oordeelt dat hoewel betrokkene gedragsregels heeft geschonden en een persoonlijke relatie met Z had, dit niet voldoende is om ongeschiktheid aan te nemen. De relatie speelde zich grotendeels af buiten het gezagsbereik van de minister en betrokkene had geen beroepsmatige contacten meer met burgers sinds februari 2006. Bovendien was er in zijn 28-jarige loopbaan geen eerder ontoelaatbaar gedrag.
De minister heeft niet aannemelijk gemaakt dat een uitzondering op de hoofdregel van een verbeterkans gerechtvaardigd is. Daarom bevestigt de Raad het vonnis van de rechtbank en veroordeelt de minister in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het ontslag van betrokkene wegens ongeschiktheid wordt vernietigd en het beroep van betrokkene wordt gegrond verklaard.
Uitspraak
11/325 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, thans: de Minister van Veiligheid en Justitie (minister),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 8 december 2010, 10/5219 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (betrokkene)
en
de minister
Datum uitspraak: 26 april 2012
I. PROCESVERLOOP
De minister heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. S. van Loenhout een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door
J.L. Limon. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Loenhout.
II. OVERWEGINGEN
1. Het geding bij de rechtbank is aanvankelijk gevoerd ten name van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In verband met een wijziging van taken is dit geding voortgezet ten name van de minister. Waar in deze zaak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
2.1. Betrokkene is in 1980 aangesteld als politieambtenaar. Vanaf 1998 was hij werkzaam als zedenrechercheur bij de politieregio [politieregio]. Per februari 2006 is betrokkene gaan werken als [naam functie] bij de Dienst Nationale Recherche Informatie van het Korps landelijke politiediensten (Klpd) te Zoetermeer.
2.2. In april 2004 heeft betrokkene samen met een collega een aangifte opgenomen van Z, van seksueel misbruik door haar therapeut. Op 18 oktober 2007 heeft Z bij de voormalige leidinggevende van betrokkene bij de politieregio [politieregio] gemeld dat zij na het opnemen van haar aangifte, tot begin 2007, veelvuldig telefonisch en persoonlijk contact met betrokkene heeft gehad en dat deze contacten hebben geleid tot een affectieve relatie, waarbij het wel tot zoenen, maar niet tot seks is gekomen. Van dit gesprek heeft de leidinggevende een rapportage opgemaakt. Daarna heeft het Bureau Veiligheid & Integriteit een oriënterend onderzoek ingesteld, waarbij betrokkene en een aantal getuigen zijn gehoord. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 4 februari 2008. Vervolgens heeft de minister een disciplinair onderzoek doen instellen wegens vermoedelijk gepleegd plichtsverzuim in de zin van artikel 76 vanPro het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).
2.3. Bij besluit van 3 juni 2008 is betrokkene in afwachting van een op te leggen schorsing met onmiddellijke ingang buiten functie gesteld en is hem tevens de toegang tot de dienstgebouwen ontzegd.
2.4. Na daartoe een voornemen kenbaar te hebben gemaakt en betrokkene in de gelegenheid te hebben gesteld hierop te reageren, heeft de minister betrokkene bij besluit van 4 december 2008 met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Kort gezegd wordt betrokkene verweten dat hij tijdens het onderzoek naar aanleiding van de aangifte van Z bij hem en zijn collega een drietal werkafspraken over de omgang met zedenslachtoffers heeft geschonden, dat hij aanvankelijk zakelijke, maar later ook persoonlijke en intieme contacten met Z heeft onderhouden die hij niet in het journaal heeft vermeld en dat hij misbruik heeft gemaakt van de situatie van Z en het vertrouwen van Z en haar echtgenoot in betrokkene als politieambtenaar en de politieorganisatie als geheel heeft beschaamd.
2.5. Bij besluit van 10 juli 2009 heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 4 december 2008 in zoverre gegrond verklaard dat het strafontslag is omgezet in een ongeschiktheidsontslag. De minister heeft het advies van de bezwaaradviescommissie inzake personele aangelegenheden Korps landelijke politiediensten (commissie) met enkele kanttekeningen overgenomen. In dat advies nam de commissie het standpunt in dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, maar dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet evenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim. De straf van voorwaardelijk ontslag die wel evenredig wordt geacht aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim, komt echter niet tegemoet aan de behoefte van de Klpd om betrokkene wegens zijn onprofessionele gedrag ten opzichte van het zedenslachtoffer Z uit zijn functie te verwijderen. De commissie acht deze behoefte legitiem, omdat betrokkene door zijn gedrag ten opzichte van Z blijk heeft gegeven van ongeschiktheid voor zijn functie, doordat hij ten opzichte van haar onvoldoende professionele afstand heeft bewaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 10 juli 2009 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover aan betrokkene ontslag is verleend op grond van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp. De rechtbank oordeelde dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, maar dat uit het gedrag van betrokkene niet volgt dat hij ongeschikt is voor het politieambt. De minister heeft niet aangegeven aan welke eigenschappen, mentaliteit of instelling het betrokkene ontbreekt. Betrokkene heeft uitdrukkelijk blijk gegeven van besef dat hij plichtsverzuim heeft gepleegd en heeft daarover spijt betuigd. Het plichtsverzuim is voorts niet van dien aard dat het enkele plegen daarvan zonder meer ongeschiktheid oplevert. De rechtbank kan niet uitsluiten dat sprake is geweest van een eenmalige gebeurtenis in de langdurige en, naar door de minister ook uitdrukkelijk is erkend, overigens vlekkeloze loopbaan van betrokkene. Als daarover al anders gedacht zou moeten worden, had hem in ieder geval de gelegenheid gegeven moeten worden om zijn gedrag te verbeteren.
4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.
4.1. Ingevolge artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp, voor zover nu van belang, kan de ambtenaar anders dan op zijn aanvraag worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.
4.2. Voor de Raad staat voldoende vast dat betrokkene zich niet heeft gehouden aan de gedragsregels die gelden voor het omgaan met zedenslachtoffers en in strijd daarmee een persoonlijke en intieme relatie heeft laten ontstaan met Z. Hoewel betrokkene besefte dat hij onprofessioneel en onjuist handelde, heeft hij deze relatie niet afgebroken, die ook niet gemeld bij zijn collega’s of leidinggevenden bij de politieregio [politieregio] en over de contacten met Z evenmin iets in het journaal opgenomen. Na de overstap van betrokkene naar het Klpd zijn de contacten tot begin 2007 voortgezet.
4.3. Anders dan de minister en met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de gedragingen van betrokkene onvoldoende grondslag bieden voor de conclusie dat hij ongeschikt is voor de door hem bij het Klpd uitgeoefende functie. Bij dit oordeel is het volgende in aanmerking genomen.
4.4. Betrokkene heeft na de aangifte van Z niet de professionele afstand bewaard die hij in de destijds door hem vervulde functie van zedenrechercheur ten opzichte van een zedenslachtoffer in acht behoorde te nemen. Daartegenover staat dat het onderzoek dat volgde op de aangifte van Z, en de strafzaak waarin zij als slachtoffer was betrokken begin 2005 waren afgerond. Sindsdien hadden betrokkene en Z - buiten het uitwisselen van informatie over het hoger beroep en cassatie - uitsluitend persoonlijke contacten in de privésfeer, waarbij het initiatief van beide kanten kwam en - naar uitdrukkelijk door Z is verklaard - geen sprake is geweest van ongewenste intimiteiten. Verder is van belang dat de relatie met Z zich in hoofdzaak heeft afgespeeld in de periode van mei 2004 tot februari 2006, waarin betrokkene nog niet onder het gezagsbereik van de minister werkzaam was en dat betrokkene vanaf februari 2006 in zijn functie van [naam functie] geen beroepsmatige contacten meer had met burgers.
4.5. Het voorgaande brengt mee dat de minister niet bevoegd was om betrokkene met toepassing van artikel 94, eerste lid, aanhef en onder g, van het Barp te ontslaan. Dit oordeel zou niet anders luiden indien het standpunt van de minister over de ongeschiktheid van betrokkene voor zijn functie zou zijn gevolgd. De minister heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat de gedragingen van betrokkene dusdanig zijn geweest dat een uitzondering is gerechtvaardigd op de hoofdregel dat, voordat kan worden overgegaan tot het verlenen van ongeschiktheidsontslag, een verbeterkans moet worden geboden. Daarbij is mede van belang dat in de 28-jarige loopbaan van betrokkene bij de politie nooit eerder van ontoelaatbaar gedrag is gebleken.
4.6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad ziet aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op € 874,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- bepaalt dat van de minister een griffierecht van € 448,- in hoger beroep wordt geheven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 874,-.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2012.