ECLI:NL:CRVB:2012:BW4481
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vermogen bij vaststelling recht op bijstand onder de WWB
Appellant heeft bijstand aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij de vaststelling van zijn recht op bijstand heeft het college rekening gehouden met een fictieve intering van het bedrag boven het vrijgestelde vermogen, wat leidde tot een vermoeden van een vermogensoverschot. Appellant betwistte dit en stelde dat een deel van zijn vermogen was bestemd voor uitvaartkosten en daarom niet als vrij besteedbaar vermogen kon worden beschouwd.
De Centrale Raad van Beroep heeft het bezwaar van appellant beoordeeld en vastgesteld dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij redelijkerwijs niet over het banksaldo kon beschikken. De Raad verwees naar het gemeentelijke beleid waarin voorwaarden zijn gesteld voor het buiten beschouwing laten van vermogen bestemd voor begrafeniskosten. Appellant voldeed niet aan deze voorwaarden, mede omdat het gestorte bedrag op een depositorekening een looptijd van twaalf maanden had en steeds werd verlengd, waardoor niet aan de bestedingswaarborg werd voldaan.
Daarom concludeerde de Raad dat het college niet tekort was geschoten door bijstand toe te kennen ondanks het vermogensoverschot. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.