ECLI:NL:CRVB:2012:BW4800

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-11 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
  • J.Th. Wolleswinkel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Ziekte- en Arbeidsongeschiktheidsregeling Nederlandse Universiteiten 2008Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vervallen verklaring bezoldiging wegens niet opgeven verblijfadres tijdens ziekte

Appellant was werkzaam als onderwijs/onderzoeksassistent bij de Universiteit Utrecht en vertrok in oktober 2008 naar Nigeria. Tijdens ziekte in die periode gaf hij zijn verblijfadres niet op aan zijn leidinggevende, in strijd met het verzuimprotocol. Het college van bestuur verklaarde daarom zijn aanspraak op bezoldiging met toepassing van artikel 15, eerste lid, van de Ziekte- en Arbeidsongeschiktheidsregeling Nederlandse Universiteiten (ZANU) 2008 vervallen.

Appellant stelde in hoger beroep dat hij van januari tot maart 2009 in het ziekenhuis verbleef, maar deze stelling werd door de Raad niet geloofd vanwege gebrek aan bewijs en tegenstrijdige verklaringen, waaronder die van zijn echtgenote. De Raad oordeelde dat het college van bestuur bevoegd was het besluit te nemen en dat appellant voldoende was gewaarschuwd voor de gevolgen van zijn nalatigheid.

De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor vergoeding van proceskosten. Het hoger beroep slaagde niet en het besluit tot stopzetting van de bezoldiging bleef van kracht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de bezoldiging van appellant terecht is vervallen verklaard wegens het niet opgeven van zijn verblijfadres tijdens ziekte.

Uitspraak

11/11 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 november 2010, 09/2558 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht (college van bestuur)
Datum uitspraak: 3 mei 2012
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. B. Akim Onyeisiagha, advocaat. Het college van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.J. van de Pas en R. Kwant.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant was vanaf 1 juni 2004 bij de Universiteit Utrecht werkzaam als onderwijs/onderzoeksassistent.
1.2. Bij besluit van 12 maart 2009 heeft het college van bestuur ingaande 13 maart 2009 de aanspraak van appellant op bezoldiging met toepassing van artikel 15, eerste lid, van de Ziekte- en Arbeidsongeschiktheidsregeling Nederlandse Universiteiten (ZANU) 2008 vervallen verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant, ook nadat daarom was gevraagd, zijn verpleegadres in Nigeria niet had opgegeven. Daardoor was het niet mogelijk appellant door een vanwege het college van bestuur aangewezen arts te laten onderzoeken. Bij besluit van 3 augustus 2009 (bestreden besluit) heeft het college van bestuur het besluit van 12 maart 2009 na bezwaar gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
3.1. Appellant is op 31 oktober 2008 naar Nigeria vertrokken in verband met de begrafenis van zijn vader. Met zijn leidinggevende had hij afgesproken dat hij in januari (volgens het college van bestuur op 5 januari en volgens appellant op 15 januari) 2009 zijn werkzaamheden zou hervatten. Op 15 januari 2009 heeft de echtgenote van appellant aan zijn leidinggevende gemeld dat appellant nog in Nigeria verbleef en dat hij overspannen was.
Op 20 januari 2009 heeft de leidinggevende de echtgenote van appellant verzocht zijn verblijfadres op te geven en een doktersverklaring over te leggen. Vervolgens is op 29 januari 2009 een verklaring van een arts in Nigeria toegestuurd waarin onder meer staat dat appellant zich op 6 januari 2009 bij hem had gemeld met buikklachten.
Op 25 februari 2009 is vanwege het college van bestuur een e-mailbericht aan appellant gezonden met de mededeling dat hij nu vóór 1 maart 2009 de gegevens van zijn verblijfsadres in Nigeria moest opgeven, bij gebreke waarvan de betaling van zijn salaris mogelijk zou worden stopgezet. Hierop is door de echtgenote bij e-mailbericht van
27 februari 2009 geantwoord dat appellant geen vast adres heeft en afwisselend bij één van zijn twee zussen verblijft. De echtgenote stelde de adressen van deze zussen niet te kennen. Wel noemde zij een telefoonnummer waarop appellant bereikbaar zou zijn. Volgens het college van bestuur is vergeefs getracht via dit nummer contact met appellant te krijgen.
3.2. De Raad stelt vast dat appellant in strijd met het toepasselijke verzuimprotocol zijn verblijfadres in Nigeria tijdens ziekte niet aan zijn leidinggevende heeft opgegeven, ook niet nadat hem was voorgehouden dat (verdergaande) nalatigheid op dit punt zou kunnen leiden tot stopzetting van de betaling van zijn bezoldiging. De door appellant pas in hoger beroep opgeworpen stelling dat hij van 6 januari 2009 tot in maart 2009 bij voortduring in het ziekenhuis - waarvan het adres vermeld stond in de overgelegde medische verklaring - opgenomen is geweest, is niet geloofwaardig. De gedingstukken bieden ook geen enkel aanknopingspunt voor de juistheid van deze stelling. Uit deze stukken komt juist het, mede door de echtgenote van appellant in het leven geroepen, beeld naar voren dat hij buiten enige verpleeginrichting verbleef.
3.3. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het college van bestuur bevoegd was de aanspraak van appellant op bezoldiging vervallen te verklaren. Geen grond is gevonden voor het oordeel dat het college van bestuur bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van deze bevoegdheid gebruik te maken, zeker niet nu appellant daarvoor was gewaarschuwd.
3.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
4. Voor vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2012.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) B. Bekkers.
HD