ECLI:NL:CRVB:2012:BW5725

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-6705 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid tot hervatting arbeid als cateringmedewerkster

Appellante was werkzaam als cateringmedewerkster en viel uit wegens psychische en lichamelijke klachten. Zij ontving een Ziektewetuitkering vanaf december 2009. Na onderzoek door een verzekeringsarts werd geconcludeerd dat zij vanaf 8 februari 2010 geschikt was om haar werkzaamheden te hervatten, waarop haar uitkering werd beëindigd. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen door het Uwv en de rechtbank.

In hoger beroep stelde appellante dat haar werk stressvol was en dat het besluit op onjuiste gegevens was gebaseerd. De Raad oordeelde dat het medische onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij ook informatie van behandelaars was betrokken. De bezwaarverzekeringsarts en een arbeidsdeskundige concludeerden dat de functie fysiek niet zwaar was en geen stresserende omstandigheden kende.

Appellante bracht geen nieuwe medische gegevens in die haar beperkingen anders zouden doen beoordelen. De Raad bevestigde daarom het besluit tot beëindiging van de uitkering en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering wegens geschiktheid tot hervatting van de arbeid.

Uitspraak

10/6705 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van
3 november 2010, 10/3158 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 9 mei 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.F. van Immerseel, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven het onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
1. Appellante was werkzaam als cateringmedewerkster voor 36 uur per week bij [werkgever], toen zij op 22 december 2008 voor haar werk met psychische en lichamelijke klachten uitviel. Vanwege het einde van het dienstverband is appellante met ingang van 4 december 2009 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Appellante heeft in dat kader het spreekuur van de verzekeringsarts bezocht. Na onderzoek op het spreekuur van 5 februari 2010 is deze arts tot de conclusie gekomen dat appellante met haar psychische en lichamelijke beperkingen met ingang van 8 februari 2010 geschikt is te achten voor haar arbeid. Bij besluit van 5 februari 2010 is appellantes ZW-uitkering beëindigd met ingang van 8 februari 2010. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 22 maart 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan is het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 17 maart 2010 ten grondslag gelegd.
2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek van de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest, aangezien die artsen appellante op hun spreekuur hebben gezien en medische informatie van de behandelende sector bij hun beoordeling van appellantes belastbaarheid hebben betrokken. Volgens de rechtbank waren de verzekeringsartsen op de hoogte van alle klachten van appellante en beschikten zij aldus over een voldoende volledig beeld van haar gezondheidstoestand. De rechtbank heeft de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts onderschreven dat er geen aanleiding was om de medische grondslag van de primaire beslissing te herzien.
3. In hoger beroep heeft appellante de juistheid van de uitspraak betwist. Daarbij heeft zij zich op het standpunt gesteld dat haar werk sterk stresserend is met piektijden en het bestreden besluit gebaseerd is op onjuiste gegevens en aldus lijdt aan een motiveringsgebrek.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Dit is in het geval van appellante de functie van cateringmedewerkster voor 36 uur per week bij [werkgever].
4.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medische onderzoek dat het Uwv ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellante op het spreekuur van 17 maart 2010 onderzocht en heeft bij de beoordeling ook alle dossiergegevens van appellante betrokken, waaronder informatie van de behandelende psycholoog en de huisarts. Op grond van de door appellante verstrekte informatie, de eigen onderzoeksbevindingen en de reeds aanwezige gegevens, heeft de bezwaarverzekeringsarts terecht kunnen concluderen dat appellante met haar lichamelijke en psychische beperkingen in staat moest worden geacht om haar werkzaamheden als cateringmedewerkster te hervatten. Bovendien heeft de bezwaararbeidsdeskundige nader onderzoek verricht naar de werkzaamheden van appellante. Uit het in hoger beroep ingebrachte rapport van 23 februari 2011 komt naar voren dat het een fysiek niet zware functie betreft en er geen sprake is van stresserende omstandigheden.
4.3. Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die een ander licht op haar beperkingen werpen. Ook heeft zij niet aangegeven dat de bezwaararbeidsdeskundige haar werkzaamheden onjuist heeft beoordeeld.
4.4. Hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv op goede gronden het ziekengeld van appellante met ingang van 8 februari 2010 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2012.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) P. Boer.
KR