ECLI:NL:CRVB:2012:BW6852

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-541 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • J.Th. Wolleswinkel
  • A.A.M. Mollee
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Strafontslag en plichtsverzuim bij ambtenaar; beoordeling van persoonlijke omstandigheden

In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Assen, waarin het bestreden besluit van het dagelijks bestuur van het waterschap Reest en Wieden werd vernietigd. De appellant had de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd aan betrokkene, die als muskusrattenbestrijder werkzaam was. De aanleiding voor het ontslag was het meenemen van 30 stoeptegels zonder toestemming, wat door de appellant werd aangemerkt als plichtsverzuim. De rechtbank oordeelde dat de opgelegde straf niet deugdelijke motivering had en dat de persoonlijke en medische omstandigheden van betrokkene onvoldoende waren meegewogen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank op een onjuiste grond het bestreden besluit had vernietigd. De Raad stelde vast dat de appellant bij de strafoplegging gewicht mocht toekennen aan het feit dat betrokkene eerder was bestraft. De Raad concludeerde dat het plichtsverzuim van betrokkene, hoewel ernstig, niet leidde tot de conclusie dat het strafontslag onevenredig was aan de aard en ernst van het plichtsverzuim. De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak voor zover deze de opdracht tot het nemen van een nieuw besluit bevatte en gaf de appellant de opdracht om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

De Raad oordeelde verder dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig was, gezien de omstandigheden van de zaak. De Raad veroordeelde de appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.092,50. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 10 mei 2012.

Uitspraak

11/541 AW Q.
11/2965 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 14 december 2010, 09/630 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het dagelijks bestuur van het waterschap Reest en Wieden (appellant)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 10 mei 2012
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 2 mei 2011 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Kragten en J.H. Tukkers. Voor betrokkene is verschenen mr. M.M. Pasman, advocaat, en C.C.M. Vermeulen.
OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.
1.1. Betrokkene was sedert 1 september 2002 voor 24 uur per week werkzaam als muskusrattenbestrijder bij het waterschap [naam waterschap]. In verband met een verdenking van overtreding van de Flora- en faunawet, waarvoor betrokkene enkele dagen in hechtenis heeft gezeten, achtte appellant het niet verantwoord dat betrokkene zijn werkzaamheden als muskusrattenbestrijder bleef uitvoeren. Bij besluit van 15 juni 2007 heeft appellant betrokkene werkzaamheden opgedragen op de werkplaats [plaatsnaam]. Met ingang van 23 juni 2008 is betrokkene te werk gesteld bij het team onderhoud watergangen en waterkering west.
1.2. Bij besluit van 12 juni 2008 heeft appellant de bezoldiging van betrokkene gestaakt omdat betrokkene zich niet hield aan het verzuimprotocol. Bij besluit van 23 juli 2008 heeft appellant betrokkene hiervoor een disciplinaire straf in de vorm van een schriftelijke berisping opgelegd. Betrokkene heeft hiertegen bezwaar gemaakt, dat door appellant bij besluit van
24 februari 2009 ongegrond is verklaard. Hierin heeft betrokkene berust.
1.3. Bij besluit van 18 november 2008 heeft appellant betrokkene voor vier weken geschorst omdat appellant een onderzoek wilde instellen naar mogelijk door betrokkene gepleegd plichtsverzuim. Deze schorsing is nadien verlengd tot 27 januari 2009.
1.4. Bij brief van 28 januari 2009 heeft appellant betrokkene het voornemen kenbaar gemaakt hem op grond van artikel 7.1.2 van de Sectorale arbeidsvoorwaardenregeling waterschapspersoneel (SAW) de disciplinaire straf op te leggen van onvoorwaardelijk ontslag. Betrokkene is hierbij verweten dat hij een dienstopdracht niet heeft opgevolgd en dat hij materialen, toebehorende aan het waterschap, zonder toestemming heeft meegenomen en voor privédoeleinden heeft gebruikt. Nadat betrokkene hierop zijn zienswijze heeft gegeven, is aan hem bij besluit van 11 maart 2009 met ingang van 1 april 2009 de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd, die na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van 27 juli 2009 (bestreden besluit).
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank was van oordeel dat betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan het hem verweten plichtsverzuim, dat dit plichtsverzuim hem ook kan worden toegerekend, maar dat de opgelegde straf een deugdelijke motivering ontbeert. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het aan betrokkene verweten plichtsverzuim niet zeer ernstig van aard is en appellant ten onrechte, althans niet voldoende, de persoonlijke en medische situatie van betrokkene bij de beoordeling heeft betrokken.
3. Appellant kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen. Hij is van mening dat er sprake is van ernstig plichtsverzuim en dat hem ten onrechte wordt verweten de persoonlijke en medische omstandigheden van appellant onvoldoende te hebben meegewogen.
Betrokkene concludeert in zijn verweerschrift tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1. Appellant komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd ten aanzien van de zwaarte van de straf. Toetsingsmaatstaf is of de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig is aan de aard en de ernst van de verweten gedraging. Die gedraging was betrokkene volgens de rechtbank volledig toe te rekenen en de door betrokkene gestelde medische problemen konden dat ook voor de rechtbank niet anders maken. De Raad ziet de aan betrokkene gegeven schriftelijke berisping wegens overtreding van voor hem geldende voorschriften als een gegeven. Appellant mocht daarom bij de strafoplegging gewicht toekennen aan het feit dat betrokkene eerder is bestraft. Niet gezegd kan worden dat appellant daarbij onvoldoende de persoonlijke en medische situatie van betrokkene in zijn beoordeling heeft betrokken.
4.1.2. Het hoger beroep van appellant slaagt daarom. De rechtbank heeft het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak op een onjuiste grond vernietigd. De Raad zal thans de vraag beantwoorden of de aan betrokkene opgelegde straf niet onevenredig is aan de ernst van het plichtsverzuim.
4.2.1. Partijen verschillen er niet over van mening dat betrokkene de hem gegeven opdracht om materialen af te voeren naar de vuilcontainer niet volledig heeft uitgevoerd, omdat hij daarvan 30 stoeptegels zonder toestemming heeft meegenomen naar huis. Appellant stelt zich op het standpunt dat betrokkene zich hierbij heeft schuldig gemaakt aan twee te onderscheiden vormen van plichtsverzuim. In de eerste plaats heeft betrokkene de dienstopdracht genegeerd om diverse zaken, waaronder voornoemde stoeptegels, af te voeren. Daarnaast heeft betrokkene deze tegels zonder toestemming van appellant mee naar huis genomen ten behoeve van privédoeleinden.
4.2.2. Ingevolge artikel 7.1.1, tweede lid, van de SAW omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat er sprake is van twee te onderscheiden vormen van plichtsverzuim. Betrokkene heeft van zijn leidinggevende de opdracht gekregen materialen in de afvalcontainer te doen en af te voeren. Nu een dergelijke opdracht geacht kan worden in lijn te liggen met de door betrokkene gewoonlijk uit te voeren werkzaamheden, terwijl het zonder toestemming meenemen van de stoeptegels “slechts” impliceert dat die werkzaamheden niet volledig zijn uitgevoerd, gaat het de Raad te ver om het niet volledig uitvoeren van de opdracht aan te merken als afzonderlijk en zelfstandig verwijtbaar plichtsverzuim.
4.2.3. Het meenemen van 30 stoeptegels door betrokkene is door appellant terecht aangemerkt als plichtsverzuim. Het feit dat het ging om goederen die waren bestemd om te worden afgevoerd, doet hieraan niet af. Het was aan appellant om te beslissen wat er met die goederen moest gebeuren. Betrokkene heeft de Raad er niet van weten te overtuigen dat hem niet bekend was dat voor het meenemen daarvan voor eigen gebruik toestemming van appellant was vereist.
4.2.4. Anders dan appellant echter meent, kan niet gezegd worden dat, ook indien wordt meegewogen dat betrokkene eerder is bestraft wegens het zich niet houden aan de voorschriften bij ziekte, strafontslag in dit geval niet onevenredig is aan de aard en ernst van het door betrokkene gepleegde plichtsverzuim. Hoewel het zonder toestemming meenemen van goederen die aan de werkgever toebehoren in het algemeen als zeer ernstig plichtsverzuim kan worden aangemerkt, kan er in dit geval niet aan worden voorbijgezien dat het om goederen ging met voor appellant geen of geringe waarde, dat het bij appellant niet ongebruikelijk was dat dergelijke goederen, na voorafgaande toestemming, mochten worden meegenomen en dat de kans dat betrokkene toestemming zou zijn verleend, indien hij daarom zou hebben gevraagd, zeker niet denkbeeldig is te achten.
4.2.5. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit terecht heeft vernietigd, zij het op een onjuiste grond. Ter uitvoering van die uitspraak heeft appellant op 2 mei 2011 een nieuw besluit genomen, waarbij aan betrokkene opnieuw de straf van onvoorwaardelijk ontslag is opgelegd. Hoewel aan dit besluit de grondslag is komen te ontvallen, merkt de Raad hierover het volgende op.
4.3. Bij dit besluit is betrokkene opnieuw de straf van ontslag opgelegd. Gelet op hetgeen de Raad hiervoor onder 4.2.4 heeft overwogen, moet worden geconcludeerd dat ook de bij het besluit van 2 mei 2011 opgelegde straf, die is gebaseerd op hetzelfde plichtsverzuim en waaraan dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag liggen als in het bestreden besluit, onevenredig moet worden geacht. Appellant zal opnieuw op het bezwaar van betrokkene dienen te beslissen, nu met inachtneming van deze uitspraak van de Raad. Daarbij zal appellant ook dienen te beslissen op het verzoek van betrokkene om vergoeding van de kosten van bezwaar.
5. De Raad ziet aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 1.092,50 aan kosten van rechtsbijstand.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij opdracht is gegeven een nieuw besluit
te nemen met inachtneming van die uitspraak;
- bepaalt dat appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak van de
Raad;
- vernietigt het besluit van 2 mei 2011;
- veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van
€ 1.092,50.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2012.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) J.M. Tason Avila.
HD