ECLI:NL:CRVB:2012:BW7253

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-3619 ZVW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Recht op zorg in woonland Spanje ten laste van pensioenland Nederland onder Zorgverzekeringswet

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 1 juni 2012 uitspraak gedaan in het hoger beroep van een appellant die in Spanje woont en een pensioen ontvangt op basis van de Algemene Ouderdomswet (AOW). De appellant stelt dat hij niet verzekerd is onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) en dat hij daarom geen recht heeft op zorgverlening vanuit Nederland. De Raad heeft echter geoordeeld dat voor de toepassing van de artikelen 28 en 28bis van Verordening (EEG) nr. 1408/71 niet van belang is of de appellant in Nederland verzekerd is, maar of hij recht heeft op zorgverlening in zijn woonland, Spanje, indien hij daar zou wonen. Dit is bevestigd door het Hof van Justitie in het arrest Van Delft e.a. (C-345/09). De Raad concludeert dat aan deze voorwaarde is voldaan, waardoor de appellant recht heeft op zorgprestaties in Spanje ten laste van Nederland.

De appellant had eerder bezwaar gemaakt tegen een besluit van het College voor zorgverzekeringen (Cvz) dat hem als verdragsgerechtigde had aangemerkt en een bijdrage had ingehouden op zijn pensioen. De Raad had in een eerdere uitspraak op 13 december 2011 al geoordeeld dat het besluit van Cvz in stand blijft. In het huidige hoger beroep herhaalt de appellant zijn standpunt dat hij geen rechten kan ontlenen aan de genoemde artikelen van de verordening, maar de Raad volgt deze redenering niet. De uitleg van de appellant wordt niet ondersteund door het recht en de jurisprudentie van het Hof. De Raad bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam, die het beroep van de appellant ongegrond had verklaard. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigt de aangevallen uitspraak.

Uitspraak

11/3619 ZVW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 mei 2011, 10/648 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Spanje (appellant)
College voor zorgverzekeringen (Cvz)
Datum uitspraak 1 juni 2012.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Cvz heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2012. Appellant is daarbij - met bericht van verhindering - niet verschenen. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is geboren [in] 1935 en woont in Spanje. Hij ontvangt vanaf 1 juni 2000 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Niet in geschil is dat appellant geen betaalde werkzaamheden (meer) verricht en dat hij uitsluitend uit Nederland een wettelijk pensioen geniet.
1.2. Ingevolge de - met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden - Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellant door Cvz bij besluit van 18 december 2006 op grond van artikel 69, eerste lid, van de Zvw aangemerkt als verdragsgerechtigde die met toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) recht op zorg in het woonland heeft, ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is ingevolge artikel 69, tweede lid, van de Zvw een bijdrage verschuldigd die wordt ingehouden op het pensioen van appellant.
Tegen dit besluit heeft appellant een procedure aanhangig gemaakt die heeft geleid tot een uitspraak van deze Raad van 13 december 2011, LJN BU7129. In die uitspraak heeft de Raad geconcludeerd dat het besluit van Cvz om appellant op grond van artikel 69 van de Zvw aan te merken als verdragsgerechtigde en een bijdrage in te houden op zijn pensioen, in rechte standhoudt.
1.3. Bij besluit van 21 november 2008 heeft Cvz aan appellant de voorlopige jaarafrekening voor de Zvw-bijdrage over 2007 toegezonden.
Bij besluit van 6 januari 2010 (bestreden besluit) heeft Cvz het door appellant tegen het besluit van 21 november 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Cvz heeft er daarbij op gewezen dat appellant in zijn procedure tegen het besluit van 18 december 2006 dezelfde gronden heeft aangevoerd en dat de rechtbank Amsterdam inmiddels appellants beroep tegen het besluit op bezwaar in die procedure ongegrond heeft verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij geen rechten kan ontlenen aan artikel 28 of 28bis van Vo 1408/71 omdat hij niet verzekerd is ingevolge de Zvw. Om die reden is hij ook geen verdragsgerechtigde in de zin van artikel 69 van de Zvw. In dat verband heeft appellant betoogd dat zijn zaak niet gelijksoortig is aan het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 14 oktober 2010, Van Delft e.a., C-345/09, (www.curia.europa.eu). Voor het overige heeft hij verwezen naar zijn beroepsgronden in de onder 1.2 vermelde procedure.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Appellant stelt terecht dat hij niet verzekerd is ingevolge de Zvw. Het gaat er echter voor de toepassing van de artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71 niet om of appellant in het pensioenland (Nederland) verzekerd is, maar of hij in zijn pensioenland recht op verstrekkingen zou hebben, indien hij daar zou wonen. Dit is ook door het Hof bevestigd in het arrest Van Delft e.a., zie met name punt 68. Zoals ook in de hiervoor vermelde uitspraak van 13 december 2011, onder 5.2.2 is overwogen, is in het geval van appellant aan deze voorwaarde voldaan. Op grond hiervan heeft appellant recht op prestaties in zijn woonland Spanje ten laste van het pensioenland Nederland. De uitleg die appellant geeft aan het eerste lid van artikel 28 van Vo 1408/71 vindt geen steun in het recht en de jurisprudentie van het Hof en wordt dan ook niet gevolgd. Voor zover appellant zijn in de vorige procedure naar voren gebrachte beroepsgronden heeft gehandhaafd, wordt verwezen naar de uitspraak van 13 december 2011.
4.3. Uit hetgeen onder 4.2 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2012.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.R. Baas.
IvR