ECLI:NL:CRVB:2012:BW7571
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugwerkende kracht toekenning AOW-uitkering volgens nieuw beleid
Appellant, geboren in april 1938, vroeg in maart 2003 een AOW-uitkering aan. Aanvankelijk werd dit geweigerd wegens onvoldoende bewijs van verzekering. Na herhaalde aanvragen en bezwaar is uiteindelijk in januari 2012 een besluit genomen waarbij de Sociale Verzekeringsbank (Svb) aan appellant met ingang van november 2003 een AOW-uitkering en toeslag toekende.
De kern van het geschil betrof de vraag of de terugwerkende kracht verder dan vijf jaar mocht gaan, namelijk vanaf het bereiken van de 65-jarige leeftijd in april 2003. De Svb baseerde zich op nieuwe uitvoeringsregels uit november 2008 die bepalen dat bij gebrek aan bewijs van werken, maar met een geloofwaardige verklaring en verblijf in Nederland, wordt aangenomen dat er sprake was van verzekering.
De Raad oordeelde dat de Svb terecht het eerdere besluit had ingetrokken en het pensioen met terugwerkende kracht vanaf november 2003 toegekend, conform het nieuwe beleid. Er waren geen aanwijzingen dat de Svb onrechtmatig had gehandeld of het beleid had geschonden. Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard en het beroep ongegrond. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep ongegrond, waarbij de AOW-uitkering met terugwerkende kracht vanaf november 2003 is bevestigd.