ECLI:NL:CRVB:2012:BW8251
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake terugvordering WIA-voorschotten
Verzoekster heeft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen de terugvordering van voorschotten die zij ontving in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Zij stelde dat zij over de periode van 19 september 2006 tot en met 16 februari 2007 geen inkomsten had omdat het UWV de voorschotten terugvorderde en daarbij onjuist de beslagvrije voet berekende.
De voorzieningenrechter verwees naar een eerdere uitspraak van de Raad van 13 januari 2010 waarin het beroep van verzoekster tegen het terugvorderingsbesluit ongegrond werd verklaard. Het verzoek om voorlopige voorziening kon zich daarom alleen richten op de terugvordering zelf en niet op de wijze van invordering of berekening van de beslagvrije voet.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang ontbrak omdat de terugvordering gebaseerd was op een in rechte onaantastbaar geworden besluit van 16 februari 2007. Hierdoor voldeed het verzoek niet aan het vereiste van onverwijlde spoed zoals gesteld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de terugvordering van WIA-voorschotten wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.