ECLI:NL:CRVB:2012:BW8762
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- E.J. Govaers
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen intrekking en terugvordering bijstand wegens termijnoverschrijding
Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. Het college blokkeerde de bijstand per 1 november 2008 wegens vermoedelijke schending van de inlichtingenplicht en trok de bijstand in per 20 april 2000, met terugvordering van € 87.473,05 vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de blokkering van de bijstand niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang, omdat geen beroep was ingesteld tegen de intrekking en terugvordering, waardoor dit besluit onherroepelijk was geworden.
Appellante stelde in hoger beroep dat haar beroep wel degelijk tegen de intrekking en terugvordering was gericht, maar dit bleek uit het beroepschrift niet duidelijk. De Raad oordeelde dat het beroep tegen de intrekking en terugvordering te laat was ingediend en verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk. Hierdoor kon appellante met het beroep tegen de blokkering de uitbetaling van de bijstand niet meer laten hervatten.
De Raad vernietigde het bestreden vonnis voor zover het niet had beslist op het beroep tegen de intrekking en terugvordering, verklaarde dat beroep niet-ontvankelijk en bevestigde de rest van de uitspraak. Het betaalde griffierecht werd aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking en terugvordering van bijstand wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding, en het beroep tegen de blokkering is terecht niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang.