ECLI:NL:CRVB:2012:BW8827

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-4003 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogenZiektewet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld op grond van Ziektewet ondanks WSW-indicatie

Appellante viel uit wegens psychische en rugklachten en kreeg geen uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Later werd haar ook ziekengeld geweigerd op grond van de Ziektewet. Het bezwaar hiertegen werd door het UWV ongegrond verklaard en de rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.

In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat zij meer beperkingen had dan vastgesteld, mede op basis van een WSW-indicatie en een psychologisch rapport. De Raad oordeelde dat de criteria voor een WSW-indicatie verschillen van die voor arbeidsongeschiktheid en dat de verzekeringsartsen hun beoordeling juist en volledig hadden gemotiveerd.

Omdat appellante geen nieuwe medische gegevens overlegde die haar standpunt onderbouwen, was er geen reden het besluit te vernietigen. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van ziekengeld blijft in stand.

Uitspraak

11/4003 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 25 mei 2011, 10/260 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 20 juni 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D.J.H. Habers, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2012. Namens appellante is mr. Habers verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Ruis.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was werkzaam als callcentre agent toen zij op 24 mei 2006 voor die werkzaamheden uitviel wegens psychische klachten en rugklachten. Bij het einde van de wachttijd is haar met ingang van 21 mei 2008 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op minder dan 35%. Hierbij is overwogen dat appellante met inachtneming van de voor haar gestelde beperkingen, die zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), geschikt werd geacht voor passende arbeid. In bezwaar is deze weigering gehandhaafd bij besluit van 13 juni 2008. Hiertegen heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.
1.2. Per 9 september 2008 heeft appellante zich vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de werkloosheidwet (WW) ontving ziek gemeld in verband met toename van haar lichamelijke en psychische klachten. Bij besluit van 3 februari 2010 heeft het Uwv per 8 februari 2010 (verdere) uitkering van ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd. Bij besluit van 2 maart 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 februari 2010, onder verwijzing naar een rapport van bezwaarverzekeringsarts M. Achterberg van 1 maart 2010, ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij - kort samengevat - betekenis toegekend aan de bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank heeft in de door appellante in beroep overgelegde rapportage van psycholoog N.T. van Voorst, die in het kader van de WSW-aanvraag van appellante is opgesteld, geen aanleiding gezien te twijfelen aan de zienswijze van de verzekeringsartsen.
3. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd dat zij op de datum in geding aanmerkelijk meer beperkingen had als gevolg van haar psychische klachten en haar rugklachten. Appellante heeft verder, onder verwijzing naar het WSW-indicatie besluit van 1 februari 2010 en de daaraan ten grondslag gelegde rapportage van psycholoog Van Voorst van 28 oktober 2009, gesteld dat het niet zo kan zijn dat het onderzoek in het kader van de WSW leidt tot arbeidsongeschiktheid tot werken in het reguliere bedrijf en het onderzoek in het kader van de ZW leidt tot een tegenovergestelde beoordeling. Dit te meer nu het Uwv in beide gevallen de beoordelende instantie is.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante uitvoerig besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daaraan ten grondslag hebben gelegen.
4.2. Het feit dat aan appellante bij besluit van 1 februari 2010 door het Uwv-WERKbedrijf een WSW-indicatie is afgegeven, vormt geen medische onderbouwing voor het standpunt dat de beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsartsen niet op een juiste wijze zou hebben plaatsgevonden. De omstandigheid dat bij de indicatie voor de WSW van verdergaande beperkingen is uitgegaan behoeft op zichzelf nog geen aanleiding te zijn voor twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsartsen. De criteria die worden aangelegd bij een WSW-beoordeling zijn niet dezelfde als die gelden bij een beoordeling van de arbeidsongeschiktheid. Niet gebleken dat de verzekeringsartsen niet op de hoogte waren van alle relevante medische gegevens. De rapportage van psycholoog Van Voorst van 28 oktober 2009 bevat, daargelaten dat geen sprake is van een rapportage van een medicus, geen andere of nieuwe informatie waaruit een medische onderbouwing volgt dat bij appellante op de datum in geding sprake is van meer beperkingen tot het verrichten van arbeid dan vastliggen in de FML van 14 mei 2008. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapport van 17 januari 2011 voldoende gemotiveerd aangegeven waarom de rapportage van psycholoog Van Voorst haar geen aanleiding geeft tot wijzing van het eerder ingenomen standpunt.
4.3. Nu appellante ook overigens, ondanks aankondiging daartoe, geen nadere medische gegevens heeft ingebracht die haar standpunt onderbouwen, is er geen reden om het bestreden besluit voor onjuist te houden.
4.4. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch van Voorst, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2012.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) E. Heemsbergen.
CVG