ECLI:NL:CRVB:2012:BW8897
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor maatstaf arbeid
Appellant, die sinds 2002 arbeidsongeschikt is vanwege rugklachten en later prostaat- en depressieve klachten ontwikkelde, kreeg een WAO-uitkering die in 2005 werd herzien tot 55-65% arbeidsongeschiktheid. In 2009 meldde hij zich opnieuw bij het UWV met verergerde rugklachten en vroeg een Ziektewetuitkering aan. De verzekeringsarts concludeerde op basis van medisch onderzoek en informatie van een neuroloog dat appellant geschikt bleef voor de maatstaf arbeid, bestaande uit rugsparende functies.
Het UWV weigerde de Ziektewetuitkering en verklaarde het bezwaar ongegrond, gesteund door een rapport van de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd overwogen dat de medische rapporten voldoende inzichtelijk waren en geen aanleiding gaven tot twijfel, ondanks het ontbreken van informatie van een anesthesioloog.
In hoger beroep stelde appellant dat de pijnklachten ernstig waren en dat het UWV en de rechtbank hadden verzuimd informatie in te winnen bij de anesthesioloog. De Raad overwoog dat de maatstaf arbeid in dit geval de functies zijn die voor de WAO-beoordeling als passend zijn aangemerkt. De medische beoordeling van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts werd onderschreven, waarbij het inwinnen van aanvullende informatie niet noodzakelijk werd geacht.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de Ziektewetuitkering bevestigd.