ECLI:NL:CRVB:2012:BW9399

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-2685 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.G. Treffers
  • J.Th. Wolleswinkel
  • W. van den Brink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.4 CAR/UWOArt. 6:19 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen omzetting tijdelijke aanstelling naar vast dienstverband wegens bezuinigingen ondanks toezegging

Betrokkene was twee jaar als trainee bij de gemeente aangesteld met de verwachting bij goed functioneren een vaste aanstelling te krijgen. Na afloop van het traineeschap weigerde de gemeente deze omzetting vanwege noodzakelijke bezuinigingsmaatregelen.

De rechtbank oordeelde dat sprake was van een ondubbelzinnige toezegging tot vaste aanstelling en dat de gemeente onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat bezuinigingen een vaste aanstelling onmogelijk maakten. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat appellant onvoldoende zorgvuldig heeft onderzocht of betrokkene herplaatst kon worden binnen of buiten de gemeente.

De Raad vernietigt het besluit van 4 oktober 2011 waarin het bezwaar ongegrond werd verklaard en veroordeelt appellant tot betaling van proceskosten. Appellant moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak.

De uitspraak benadrukt de zorgvuldigheidsverplichting van de werkgever bij beëindiging van tijdelijke aanstellingen en de noodzaak tot het benutten van alle reële herplaatsingsmogelijkheden.

Uitkomst: De Raad bevestigt dat de gemeente onzorgvuldig handelde door geen vaste aanstelling te verlenen en vernietigt het besluit van 4 oktober 2011.

Uitspraak

Gerectificeerde uitspraak 11/2685 AW
Gerectificeerde uitspraak 11/6096 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 24 maart 2011, 10/5602 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van [B. ] (appellant)
[A. te B. ] (betrokkene)
Datum uitspraak: 21 juni 2012
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 4 oktober 2011 een nieuw
besluit op bezwaar genomen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2012. Appellant heeft zich laten
vertegenwoordigen door mr. S.C. Lap en ing. D. Hulskes. Betrokkene is verschenen en heeft
zich laten bijstaan door mr. B.M. van Kerkvoorden
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de
volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Betrokkene is met ingang van 1 augustus 2008 op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de
Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) voor één
jaar als beleidsmedewerker III aangesteld om als trainee bij GEO-Informatie en Ontwerp van
de afdeling Wijkzaken van de gemeente [B. ] te worden opgeleid tot Geografische
Informatie Systemen (GIS)-medewerker. Na een positieve beoordeling van betrokkenes
functioneren is de aanstelling bij besluit van 18 augustus 2009 met één jaar verlengd tot
1 augustus 2010.
1.2. Bij besluit van 31 mei 2010 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat het dienstverband
met ingang van 1 augustus 2010 van rechtswege eindigt, omdat vanwege noodzakelijke
bezuinigingsmaatregelen een omzetting naar een vast dienstverband bij de gemeente
[B. ] niet tot de mogelijkheden behoorde. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij
bestreden besluit van 29 september 2010 ongegrond verklaard. Daaraan heeft appellant
overeenkomstig het advies van de commissie voor behandeling van bezwaarschriften mede
ten grondslag gelegd dat niet is aangetoond dat betrokkene een ondubbelzinnige en
ongeclausuleerde toezegging is gedaan dat bij goed functioneren tijdens het traineeschap hem
na afloop daarvan een vaste aanstelling wordt verleend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het
bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen
met inachtneming van het in de uitspraak overwogene een nieuw besluit te nemen. Tevens
zijn beslissingen over het griffierecht en proceskosten gegeven. Daarbij heeft de rechtbank
overwogen dat sprake is van een ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van de
zijde van appellant die maakt dat appellant betrokkene na het met goed gevolg afsluiten van
zijn traineeschap in principe in vaste dienst bij de gemeente had moeten aanstellen. Daarvan
had appellant volgens de rechtbank kunnen afzien als zich een bijzondere omstandigheid van
gewichtige aard zou hebben voorgedaan. De rechtbank achtte het onvoldoende aannemelijk
dat de te treffen bezuinigingsmaatregelen aan een vast dienstverband met betrokkene in de
wegstonden, zodat appellant bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot
zijn bestreden besluit heeft kunnen komen.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de
Raad als volgt.
3.1. In dit geding gaat het om de vraag of appellant betrokkene na afloop van het traineeschap
een vaste aanstelling had behoren te verlenen.
3.2.1. Nu betrokkene voor twee jaar was aangesteld als trainee met als doel hem op te leiden
tot GIS-medewerker, kon en mocht betrokkene ervan uitgaan dat hem na afloop van het
traineeschap bij goed functioneren een vaste aanstelling bij de gemeente [B. ] zou
worden verleend. Appellant heeft erkend dat dit ook zijn intentie was bij aanvang van het
traineeschap van betrokkene. Het doel van het traineeschap van betrokkene was voor
appellant om een verwachte toename in werkzaamheden op het gebied van GIS in de
toekomst door betrokkene als gekwalificeerd GIS-medewerker te kunnen opvangen.
3.2.2. Ook de brief van appellant van 15 mei 2008, waarin de afspraken met betrokkene
over zijn traineeschap zijn bevestigd, bevat aanwijzingen dat betrokkene na het met goed
gevolg afronden van het traineeschap zijn dienstbetrekking bij de gemeente zal voortzetten.
Zo staat daarin een terugbetalingsverplichting voor de opleidingskosten vermeld, indien
betrokkene binnen vier jaar de gemeente verlaat. Het traineeschap zou evenwel maar twee
jaar duren. Verder is in die brief van 15 mei 2008 de zinsnede opgenomen: ”Zodra de voor
de aanstelling relevante stukken van u zijn ontvangen, ontvangt u van ons de definitieve
aanstelling in vaste dienst.”. Dat deze zinsnede een kennelijke verschrijving is en dat met
“vaste dienst” bedoeld was “tijdelijke dienst”, zoals appellant heeft gesteld, is, wat daar
verder ook van zij, niet aan betrokkene kenbaar gemaakt.
3.2.3. Ook uit de verklaringen van V, toenmalig hoofd van de P&O-afdeling van de gemeente
[B. ], blijkt dat met betrokkene vóór aanvang van zijn traineeschap is gesproken over
een vaste aanstelling bij goed functioneren in het traineetraject. Dit heeft ertoe geleid dat
betrokkene zijn vaste aanstelling bij een verpleeghuis heeft beëindigd om als trainee bij de
gemeente in een tijdelijke aanstelling met ingang van 1 augustus 2008 te gaan werken.
Vervolgens is in september 2008 als gevolg van de bezuinigingen bij de gemeente een
vacaturestop ingesteld. Omdat het budget voor het traineeschap van betrokkene voor twee
jaar beschikbaar was gesteld, had de vacaturestop daarop geen invloed. In 2009 is de tijdelijke
aanstelling van betrokkene dan ook verlengd. Appellant heeft betrokkene toen evenwel niet
ervan op de hoogte gesteld dat de bezuinigingsmaatregelen, waarvan toen al zeker was dat zij
ook in 2010 zouden gelden, zeer waarschijnlijk tot gevolg zullen hebben dat betrokkene na
afloop van zijn traineeschap in augustus 2010 niet in vaste dienst zou worden aangesteld.
3.3. Onder deze omstandigheden rustte op appellant de verplichting een zorgvuldig
onderzoek in te stellen naar mogelijkheden om betrokkene arbeid binnen het gezagsbereik
van de gemeente aan te bieden na afloop van het traineeschap en diende elke reële
mogelijkheid tot herplaatsing binnen of buiten de gemeente te worden aangegrepen.
Weliswaar heeft appellant op verzoek van betrokkene nadat diens aanstelling bij de gemeente
al was beëindigd een re-intregatiebedrijf ingeschakeld, maar volgens betrokkene, en appellant
heeft dat niet weersproken, ondersteunt dat bedrijf hem alleen maar bij zijn
sollicitatieactiviteiten, zoals hulp bij het schrijven van sollicitatiebrieven of het volgen van
sollicitatietrainingen. Appellant heeft geen mobiliteits- of outplacementbureau ingeschakeld.
Evenmin is gebleken dat betrokkene op concrete vacatures binnen of buiten de gemeente is
geattendeerd. Zo blijkt uit de verklaring van 1 juli 2010 van V, die inmiddels werkzaam was
als hoofd van de P&O-afdeling van de gemeente [E.], dat kort daarvoor nog een
vacature van GIS-coördinator bij die gemeente was opengesteld en dat die vacature inmiddels
was opgevuld door een kandidaat die nog dezelfde opleidingen moest gaan volgen die
betrokkene in zijn traineeschap reeds met goed gevolg had afgelegd. Verder valt, gelet op
appellants vergaande inspanningsplicht, niet in te zien dat, toen in de bezwaarfase bekend
werd dat de functie van senior GIS-coördinator bij de gemeente [B. ] eind 2010
beschikbaar zou komen, sprake was van een passende of passend te maken functie voor
betrokkene, zodat hij daarin in vaste dienst kon worden aangesteld.
3.4. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat appellant ernstig tekort is geschoten in de
- onder de gegeven omstandigheden op hem rustende - inspanningsverplichting tot
herplaatsing van betrokkene.
3.5. Het vorenstaande brengt de Raad tot het oordeel dat het bestreden besluit geen
standhoudt. Het hoger beroep slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak komt voor
bevestiging in aanmerking.
Het besluit van 4 oktober 2011
3.6. Bij het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 4 oktober 2011
heeft appellant het bezwaar van betrokkene opnieuw ongegrond verklaard. In de motivering
van dit besluit zijn de overwegingen van de rechtbank niet gevolgd en zijn louter de gronden
van het hoger beroep van appellant herhaald. Daarmee heeft appellant op onjuiste wijze
uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak. Dit besluit, dat met overeenkomstige
toepassing van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede deel uitmaakt
van dit geding, dient dus te worden vernietigd. Appellant dient met inachtneming van deze
uitspraak van de Raad een nieuw besluit op bezwaar van betrokkene te nemen.
4. De Raad ziet ten slotte aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te
veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot
op het bedrag van € 874,- voor kosten van rechtsbijstand.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 oktober 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;
- draagt appellant op om, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw te beslissen op het
bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 31 mei 2010;
- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 874,-;
- bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 454,- in hoger beroep wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en
W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De
beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2012.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) T.J. van der Torn.