ECLI:NL:CRVB:2012:BW9874
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand aan ongewenst verklaarde vreemdeling op grond van WWB
Verzoeker, een staatloze Palestijnse vluchteling die ongewenst verklaard is, diende meerdere aanvragen in voor een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Deze aanvragen werden door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam afgewezen, en de rechtbank verklaarde de beroepen van verzoeker ongegrond.
Verzoeker voerde in hoger beroep aan dat hij zich in een spoedeisende situatie bevond, onder meer omdat hij uit de bed-bad-brood-regeling was gezet en zijn leefgeld was ingetrokken. Daarnaast werd een beroep gedaan op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), met name artikel 8, dat het recht op respect voor privéleven beschermt.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker tijdens de relevante perioden geen vreemdeling was in de zin van artikel 11 WWB Pro, waardoor artikel 16 WWB Pro van toepassing is en een uitkering zelfs uit zeer dringende redenen niet kan worden toegekend. De rechter benadrukte het primaat van de wetgever en verwees naar eerdere uitspraken waarin werd vastgesteld dat een positieve verplichting jegens vreemdelingen niet via de WWB kan worden ingevuld, maar bij het COA ligt.
De voorzieningenrechter bevestigde de aangevallen uitspraak en wees de verzoeken om voorlopige voorziening af, omdat geen grond bestond voor het treffen van een voorlopige voorziening. De zaak illustreert de strikte toepassing van de WWB ten aanzien van vreemdelingen die ongewenst zijn verklaard en de beperkte rol van het EVRM in deze context.
Uitkomst: De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en de verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen.