ECLI:NL:CRVB:2012:BX1200

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-396 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 8:75 AwbArt. 19 ZW
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering na medisch onderzoek verzekeringsartsen

Appellante viel sinds 3 juli 2007 uit wegens psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 6 november 2008 na medisch onderzoek, omdat appellante niet langer ongeschikt werd geacht voor haar werk.

De rechtbank vernietigde het besluit wegens procedurele tekortkomingen, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat medisch gezien appellante geschikt was. Het hoger beroep richtte zich tegen dit oordeel.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het werk als zelfstandig goudsmid buiten beschouwing blijft en bevestigde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek geen beperkingen aantoonde die ongeschiktheid rechtvaardigen. Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante terecht geschikt is geacht voor haar werk en de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd.

Uitspraak

10/396 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 december 2009, 09/402 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 11 juli 2012
PROCESVERLOOP
Appellante hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. D.J. Prins, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooij-Bal.
OVERWEGINGEN
1. Appellante is op 3 juli 2007 in verband met psychische klachten uitgevallen voor haar werk als activiteitenbegeleidster voor 20 uur per week bij de Stichting Rijnlands Revalidatie Centrum, te Leiden.
2. Bij besluit van 4 november 2008 heeft het Uwv de aan appellante op grond van de Ziektewet (ZW) toegekende uitkering met ingang van 6 november 2008 beëindigd, omdat appellante op en na deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid.
3. Bij besluit van 10 december 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 november 2008 ongegrond verklaard.
4.1. De rechtbank heeft het bestreden wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd, omdat het Uwv pas ten tijde van de beroepsprocedure het besluit arbeidskundig heeft onderbouwd met een onderzoek naar het eigen werk van appellante bij haar werkgever.
4.2. De rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, omdat appellante gelet op het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen terecht geschikt is geacht voor het verrichten van haar werk.
5. Het hoger beroep is gericht tegen het onder 4.2 vermelde oordeel van de rechtbank.
6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
6.1. Anders dan de rechtbank heeft aangenomen dient het werk van appellante als zelfstandig goudsmid voor 25 uur per week in dit geding buiten beschouwing te blijven. Het betreft hier immers, anders dan in de door de rechtbank vermelde uitspraak LJN ZB7668, werk als zelfstandig ondernemer en niet werk in dienstbetrekking, dat van invloed zou kunnen zijn op de maatstaf van de in aanmerking te nemen arbeid in de zin van artikel 19 van Pro de ZW.
6.2. Appellante is laatstelijk op 27 oktober 2008 op het spreekuur geweest van de verzekeringsarts, die toen mede op grond van telefonisch ingewonnen informatie bij de behandelend psychiater vaststelde dat er geen sprake was van acute psychopathologie welke een toename van beperkingen kon onderbouwen en dat het niveau van functioneren van appellante goed was.
6.3. De bezwaarverzekeringsarts zag na onderzoek van appellante geen reden voor twijfel aan het standpunt van de verzekeringsarts en heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts al eerder had geconstateerd dat appellante redelijk functioneerde.
6.4. In beroep heeft het Uwv op verzoek van de rechtbank een nader onderzoek laten instellen naar het werk van appellante. Uit het arbeidskundig rapport van 26 augustus 2009 blijkt dat in de functie geen sprake is van een gedwongen werktempo of veelvuldige deadlines. Het betreft gestructureerd werk, waarbij geen sprake is van sterk wisselende uitvoeringsomstandigheden en/of taakinhoud. Er is verder sprake van een redelijke vrijheid van handelen en geen forse tijdsdruk.
6.5. De bezwaarverzekeringsarts heeft in een rapport van 31 augustus 2009 geconcludeerd dat, nu er geen sprake was van forse tijdsdruk en andere beperkingen op de datum in geding eigenlijk niet aan de orde waren, appellante per 6 november 2008 niet ongeschikt was voor haar werk.
Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen reden om aan de juistheid van deze conclusie te twijfelen. De korte brief van psychiater J.N. Velleman van 30 augustus 2010 is, zoals de bezwaarverzekeringsarts in een rapport van 22 september 2010 heeft gesteld, niet onderbouwd. Ook het in hoger beroep overgelegde verslag van een psychologisch onderzoek bevat geen gegevens die erop wijzen dat de (bezwaar)verzekeringsarts de gezondheidstoestand van appellant ten tijde in geding onjuist heeft beoordeeld. De bezwaarverzekeringsarts heeft in dit verband in een rapport van 1 maart 2011 terecht opgemerkt, dat voormeld verslag slechts de actuele situatie van appellante beschrijft en niet die in november 2008.
6.6. Uit hetgeen is overwogen onder 6.1 tot en met 6.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
7. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2012.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) P.J.M. Crombach
TM