ECLI:NL:CRVB:2012:BX2130

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-6940 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na nieuw besluit UWV

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake een besluit van het UWV. Het UWV nam op 12 december 2011 een nieuwe beslissing op bezwaar, waarmee appellant zich kon verenigen. Hierdoor bestond er geen inhoudelijk geschil meer tussen partijen.

De Raad besloot het onderzoek ter zitting achterwege te laten en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang. Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering, conform een eerdere uitspraak van de Raad.

Verder veroordeelde de Raad het UWV op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht tot vergoeding van de proceskosten van appellant, begroot op €2.403,--, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €152,--. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Ch. van Voorst op 18 juli 2012.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

10/6940 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 december 2010, 10/2740 (aangevallen uitspraak).
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 18 juli 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft op 12 december 2011 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 17 januari 2012 is namens appellant verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten en de wettelijke rente.
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
OVERWEGINGEN
Met de nieuwe beslissing op bezwaar van 12 december 2011 heeft het Uwv opnieuw op het bezwaar van appellant beslist. Appellant heeft de Raad bericht dat hij zich met de nieuwe beslissing op bezwaar van 12 december 2011 kan verenigen en verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten en de wettelijke rente.
Nu er tussen partijen geen door de Raad te beslechten inhoudelijk geschil meer bestaat, moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
De Raad wijst het verzoek van appellant toe om het Uwv te veroordelen in de vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012, LJN BV1958.
De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 874,-- voor verleende rechtsbijstand in bezwaar, op € 874,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 655,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2.403,--.
BESLISSING
De Centrale Raad van beroep
- verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk;
- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente als hiervoor is aangegeven;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.403,--.
- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2012.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen
RK