ECLI:NL:CRVB:2012:BX3179

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-6190 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor salariskosten bewindvoerder in schuldsaneringsregeling

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 31 juli 2012 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een eerdere beslissing van de rechtbank Assen. De appellant had een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de salariskosten van zijn bewindvoerder, tot een bedrag van € 47,60 per maand, in het kader van een schuldsaneringsregeling. De aanvraag was eerder door het college van burgemeester en wethouders van Groningen afgewezen, omdat het inkomen van de appellant, rekening houdend met de beslagvrije voet, niet voldoende was om de volledige kosten van het salaris van de bewindvoerder te dekken. De Raad oordeelde dat het in strijd is met de Faillissementswet om van de appellant te verlangen dat hij een boedelbijdrage betaalt als zijn inkomen dat niet toelaat. De Raad bevestigde dat de kosten waarvoor de appellant bijzondere bijstand had aangevraagd zich nog niet daadwerkelijk voordeden, en dat als de appellant desondanks een boedelbijdrage had betaald, deze kosten zonder noodzaak waren gemaakt. De uitspraak van de rechtbank werd dan ook bevestigd, en het hoger beroep van de appellant werd ongegrond verklaard.

Uitspraak

10/6190 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 9 november 2010, 09/733 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)
Datum uitspraak 31 juli 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Horsten- van Gemeren, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 19 juni 2012. Partijen zijn, zoals vooraf bericht, niet verschenen.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij vonnis van de rechtbank Assen van 30 maart 2009 is ten aanzien van appellant de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken en is [B.] van Adjust Consultancy benoemd tot bewindvoerder.
1.2. Op 12 april 2009 heeft appellant een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de salariskosten van de bewindvoerder tot een bedrag van € 47,60 per maand in het kader van de schuldsaneringsregeling.
1.3. Bij besluit van 15 mei 2009 heeft het college deze aanvraag afgewezen.
1.4. Bij besluit van 28 augustus 2009 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 15 mei 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat de salariskosten van de bewindvoerder niet als noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) kunnen worden aangemerkt, omdat niet is gebleken van een verplichting van betrokkene om een voorschot op het salaris van de bewindvoerder te betalen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat door de rechter-commissaris van de rechtbank Assen halfjaarlijks een voorschot op het salaris van de bewindvoerder wordt vastgesteld, dat hij maandelijks een boedelbijdrage voor de betaling van het salaris van de bewindvoerder dient te betalen op een onder beheer bij de bewindvoerder en rechter-commissaris zijnde boedelrekening en dat hij gelet op de beslagvrije voet niet in staat is om deze bijdrage te betalen. Indien de rechtbank de beëindiging van de schuldsaneringsregeling uitspreekt en daarbij het salaris van de bewindvoerder vaststelt, zal op de boedelrekening onvoldoende saldo aanwezig zijn om het salaris te kunnen voldoen, zodat een nieuwe schuld zal ontstaan.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is, voor zover hier van belang, bepaald dat de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. Bij de toepassing van deze bepaling dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden.
4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het inkomen van appellant, gelet op de beslagvrije voet, geen ruimte biedt voor betaling van de volledige kosten van het salaris van de bewindvoerder.
4.3. Het is in strijd met de Faillissementswet om van appellant te verlangen dat hij maandelijks een boedelbijdrage voor de betaling van het salaris van de bewindvoerder betaalt indien zijn inkomen, gelet op de beslagvrije voet, daarvoor niet toereikend is. Een dergelijke verplichting vloeit evenmin voort uit het onder 1.1 genoemde vonnis van de rechtbank. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 29 juni 2010, LJN BM9799 en
LJN BM9804.
4.4. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich nog niet daadwerkelijk voordoen. Indien appellant desondanks maandelijks een boedelbijdrage voor de betaling van het salaris van de bewindvoerder heeft betaald, zijn deze kosten zonder noodzaak gemaakt.
4.5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2012.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) P.C. de Wit
HD