ECLI:NL:CRVB:2012:BX3192
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- H.C.P. Venema
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Herziening bijstandsuitkering wegens niet gemelde bankstortingen als inkomen
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB sinds mei 2004. In 2008 werd bij een statusonderzoek vastgesteld dat er regelmatig stortingen plaatsvonden op hun bankrekeningen, waarvan de herkomst niet duidelijk was. Het college van burgemeester en wethouders van Haarlem herzag daarop de bijstand over de periode februari tot november 2008 en vorderde een bedrag van €3.273,45 terug wegens niet gemelde inkomsten.
Appellanten voerden aan dat de stortingen vergoedingen waren van hun dochter voor gemaakte kosten, waaronder reiskosten en gebruik van een creditcard en telefoonabonnement. De Raad oordeelde echter dat appellanten de stortingen hadden moeten melden en dat zij daarmee de op hen rustende inlichtingenverplichting schonden. De verstrekte bewijsstukken waren onvoldoende om de herkomst en het doel van de stortingen te verifiëren.
De Raad concludeerde dat de stortingen als inkomen moeten worden beschouwd volgens artikel 32, eerste lid, van de WWB. Hierdoor was de herziening van de bijstand door het college terecht en het hoger beroep van appellanten werd ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank Haarlem werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bijstand wordt herzien wegens niet gemelde bankstortingen als inkomen.