ECLI:NL:CRVB:2012:BX3461
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op ziekengeld na zorgvuldige medische beoordeling
In deze zaak gaat het om de beëindiging van het recht op ziekengeld van appellant, die sinds 1 mei 2000 uitgevallen was met lichamelijke en psychische klachten. Appellant ontving aanvankelijk een uitkering op basis van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), maar deze werd door het Uwv ingetrokken per 22 november 2006, omdat hij geschikt werd geacht voor een aantal geselecteerde functies. Na een nieuwe ziekmelding op 29 september 2009, werd appellant onderzocht door verzekeringsarts M.M. Stienstra, die concludeerde dat appellant met ingang van 14 december 2009 weer geschikt was voor de eerder geselecteerde functies. Het Uwv beëindigde daarop het recht op ziekengeld per dezelfde datum.
Appellant ging in hoger beroep tegen deze beslissing, waarbij hij aanvoerde dat er voldoende feiten en omstandigheden waren die twijfels opriepen over zijn geschiktheid voor zijn eigen werk. Hij verwees naar een rapport van zijn behandelend psychiater van Altrecht, waarin stemmingsstoornis en psychotische stoornis werden vastgesteld. Appellant verzocht de Raad om een onafhankelijk deskundige te benoemen om zijn situatie te beoordelen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen waren dat de eerdere beoordeling van de medische geschiktheid onjuist was. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank Utrecht, die het beroep van appellant ongegrond had verklaard. De Raad concludeerde dat er geen aanleiding was om een onafhankelijk deskundige te benoemen en dat het hoger beroep niet slaagde. De uitspraak werd openbaar gedaan op 1 augustus 2012.