ECLI:NL:CRVB:2012:BX4897
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering opheffing korting AOW wegens Belgische mijnwerkperiode
Appellant had een AOW-pensioen toegekend gekregen met een korting van 2%, vanwege zijn werkzaamheden in de Belgische mijnen tussen 1957 en 1959 terwijl hij in Nederland woonde. Hij verzocht de korting ongedaan te maken, stellende dat het inkomen uit België geen ouderdomspensioen is maar een lijfrente uit vrijwillige premies en dat hij niet correct is geïnformeerd over de gevolgen voor zijn AOW.
De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees dit verzoek af omdat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Raad stelde dat de aangevoerde feiten niet nieuw zijn en dat de korting terecht is toegepast, zoals eerder in 2001 is vastgesteld.
De Raad oordeelde dat op grond van artikel 4:6 Awb Pro een verzoek om terug te komen op een besluit alleen kan slagen bij nieuwe feiten of omstandigheden, welke hier ontbreken. De eerdere afwijzing blijft daarom gehandhaafd. De Raad zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering om de korting op het AOW-pensioen ongedaan te maken wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.