ECLI:NL:CRVB:2012:BX4905
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over vaststelling ouderdomspensioen op grond van AOW en internationaal verdrag
Appellante, geboren in 1945 en woonachtig in Marokko, stelde in hoger beroep dat haar echtgenoot, die van 1966 tot 1988 verzekerd was ingevolge de AOW, ook na 1981 tot zijn overlijden in 1991 verzekerd zou zijn gebleven. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) had aanvankelijk vastgesteld dat de echtgenoot verzekerd was van 1966 tot 1981 en kende appellante een ouderdomspensioen toe van 32% van het volledige pensioen voor een ongehuwde.
De Raad stelde vast dat de Svb onjuist had vastgesteld dat de verzekeringsperiode van de echtgenoot eindigde in 1981; deze liep tot 1 juli 1988. De stelling dat de verzekering doorliep tot 1991 werd echter verworpen, omdat volgens artikel 6 van Pro de AOW alleen personen onder de 65 jaar verzekerd kunnen zijn. De Svb erkende deze onjuistheid en stemde in met een hogere pensioenuitkering.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat appellante vanaf 1 juli 2010 recht heeft op een ouderdomspensioen ter hoogte van 46% van het volledige pensioen voor een ongehuwde. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellante vergoed. Hiermee werd het geschil finaal beslecht.
Uitkomst: Appellante heeft vanaf 1 juli 2010 recht op een ouderdomspensioen van 46% van het volledige pensioen voor een ongehuwde.