ECLI:NL:CRVB:2012:BX5552

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 augustus 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-7425 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R. Kooper
  • M.C. Nijholt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag voor periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945

In deze zaak heeft appellante, geboren in 1944 uit een gemengd huwelijk, een aanvraag ingediend voor een periodieke uitkering op basis van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). De aanvraag werd afgewezen door de Pensioen- en Uitkeringsraad, die stelde dat appellante geen vervolging in de zin van de Wuv had ondergaan. Appellante heeft echter tijdens de bezwaarprocedure aangegeven dat zij met haar moeder ondergedoken heeft gezeten, wat niet door de verweerder is onderzocht. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en berust op een ondeugdelijke motivering. De Raad vernietigt het besluit en draagt de verweerder op om een nieuw besluit te nemen, waarbij de eerdere uitspraak in acht moet worden genomen. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 42,22, en moet het door appellante betaalde griffierecht van € 35,- worden vergoed.

Uitspraak

11/7425 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)
Datum uitspraak: 23 augustus 2012
PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 25 november 2011, kenmerk BZ01344667 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2012. Daar is appellante verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.
OVERWEGINGEN
1. Appellante is in 1944 geboren uit een zogenoemd gemengd huwelijk, waarbij de vader de joodse partner was. In maart 2010 heeft zij bij verweerder een aanvraag ingediend om op grond van de Wuv in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering.
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 10 mei 2011, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat geen vervolging in de zin van de Wuv kon worden vastgesteld. Voor gelijkstelling met de vervolgde zag verweerder evenmin aanleiding.
3. De Raad overweegt als volgt.
3.1. In beroep, zoals ter zitting herhaald, heeft appellante onder meer aangegeven dat zij na haar geboorte met haar moeder ondergedoken heeft gezeten in de [adres] te [plaatsnaam]. Hiervan heeft appellante ook melding gemaakt tijdens de bezwaarprocedure. Zo heeft zij in haar aanvullende bezwaarschrift van 17 juni 2011 de [adres] benoemd als een schuiladres.
3.2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder volstaan met de enkele mededeling dat appellante geen vervolging heeft ondergaan. Geen oordeel is gegeven over een eventuele onderduik. Ook is uit de stukken niet gebleken dat verweerder een onderzoek daartoe heeft ingesteld, hetgeen wel op zijn weg had gelegen.
3.3. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en berust op een ondeugdelijke motivering. Reeds daarom komt het bestreden besluit, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Een meer doelmatige wijze om te komen tot finale geschillenbeslechting ziet de Raad in dit geval niet binnen zijn bereik.
4. De Raad ziet ten slotte aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van € 42,22 aan reiskosten van appellante.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het beroep tegen het besluit van 25 november 2011 gegrond en vernietigt dit besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 42,22;
- bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2012.
(getekend) R. Kooper
(getekend) M.C. Nijholt
HD