ECLI:NL:CRVB:2012:BX5758

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 augustus 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-667 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:6 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten bij herhaalde aanvraag

Appellant heeft herhaaldelijk een WAO-uitkering aangevraagd, waarbij het UWV steeds heeft geweigerd deze toe te kennen omdat appellant bij de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet verzekerd was. Na eerdere afwijzingen en bevestigingen door rechtbank en Raad, diende appellant opnieuw een aanvraag in zonder nieuwe feiten of omstandigheden aan te voeren.

Het UWV wees het verzoek om terug te komen op het eerdere besluit af op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat vereist dat bij een nieuwe aanvraag nieuwe feiten of omstandigheden moeten worden vermeld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad bevestigt deze uitspraak.

De Raad overweegt dat het eerdere besluit juridisch onaantastbaar is geworden en dat het UWV terecht heeft gehandeld door de aanvraag af te wijzen. Appellant voerde aan dat hij vanwege ziekte en gebrek aan inkomen Nederland had verlaten, maar dit vormt geen nieuw feit dat tot herziening leidt.

De Raad ziet geen reden om het besluit te vernietigen en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd.

Uitspraak

11/667 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2010, 10/3187 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 24 augustus 2012
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2012.
Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 17 juni 2004 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen op de grond dat appellant bij aanvang van de aangegeven arbeidsongeschiktheid op 31 december 1998 niet verzekerd was ingevolge de WAO. Het Uwv heeft het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij besluit van 29 oktober 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 31 augustus 2005 ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bij zijn uitspraak van 16 mei 2007, LJN BA6379, bevestigd.
2. Bij brief van 8 februari 2010 heeft appellant opnieuw een WAO uitkering aangevraagd. Bij besluit van 24 februari 2010 heeft het Uwv het verzoek van appellant om terug te komen van zijn besluit van 17 juni 2004 afgewezen. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden heeft vermeld die tot de conclusie leiden dat het besluit van 17 juni 2004 onjuist zou zijn. Bij besluit van 16 juni 2010 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 24 februari 2010 ongegrond verklaard, zij het dat de aanvraag werd beschouwd het besluit van 29 oktober 2004 te betreffen.
3. Bij de aangevallen mondelinge uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 16 juni 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij, vaststellende dat appellant een herhaalde aanvraag voor een WAO-uitkering heeft ingediend zonder daarbij nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aan te voeren, verwezen naar artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4. In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep aangevoerde grieven herhaald. Appellant heeft aangevoerd dat hij Nederland heeft verlaten omdat hij erg ziek was en geen inkomsten of uitkeringen had om de medische behandeling in Nederland te volgen.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1. Het besluit van 29 oktober 2004, waarbij de in overweging 1 vermelde weigering van arbeidsongeschiktheidsuitkering is gehandhaafd, is in rechte onaantastbaar geworden met de uitspraak van de Raad van 16 mei 2007. De Raad heeft in deze uitspraak overwogen dat het Uwv terecht de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 31 december 1998 heeft bepaald en dat appellant op die dag niet verzekerd was ingevolge de WAO, omdat hij sinds april 1998 in Marokko woonachtig was.
5.2. In artikel 4:6 van Pro de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
5.3. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb heeft aangevoerd. De Raad kan zich geheel vinden in hetgeen ter zake is overwogen in de aangevallen uitspraak.
5.4. De Raad heeft uit hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht niet kunnen afleiden dat het Uwv, gezien de omstandigheden van dit geval, van de in artikel 4:6 van Pro de Awb opgenomen bevoegdheid om onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking de aanvraag af te wijzen bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid gebruik had mogen maken.
5.5. Het hoger beroep treft derhalve geen doel en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaan geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2012.
(getekend) C.W.J. Schoor
(getekend) G.J. van Gendt
EV