ECLI:NL:CRVB:2012:BX6233
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terugkomen op intrekking WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant, voormalig bedradingsmonteur, viel sinds 1991 uit wegens huidproblemen en kreeg vanaf 1992 een WAO-uitkering toegekend. Deze uitkering werd in 1993 ingetrokken, een besluit dat later onherroepelijk werd verklaard. In 2009 verzocht appellant het UWV om terug te komen op deze intrekking, onderbouwd met nieuwe medische stukken waaronder rapporten van psychologen en een GZ-psycholoog.
Het UWV wees dit verzoek af omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die het eerdere besluit konden wijzigen. Zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts onderschreven deze conclusie. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en onderschreef het beoordelingskader van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, met name over het rapport van de zenuwarts uit 1993. De Raad overwoog dat de nieuwe stukken betrekking hadden op de situatie in 2009 en niet relevant waren voor de situatie in 1993. Volgens vaste rechtspraak kunnen nieuwe feiten die pas in beroep worden ingebracht niet worden meegewogen. De Raad zag geen reden het besluit van het UWV onjuist te achten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om terug te komen op het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.