ECLI:NL:CRVB:2012:BX6940

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-2238 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.J. Simon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 AOWArt. 35 AOWArt. 36 AOWArt. 63 AnwArt. 63a Anw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toelating tot vrijwillige AOW/Anw-verzekering voor in buitenland wonende appellant

Appellante, woonachtig in het buitenland, verzocht om toelating tot de vrijwillige verzekering AOW/Anw. Dit verzoek werd door de Sociale Verzekeringsbank (Svb) afgewezen omdat zij nooit verplicht verzekerd is geweest voor deze volksverzekeringen. Volgens de wetgeving dient een periode van vrijwillige verzekering direct aan te sluiten op een periode van verplichte verzekering.

Na een bezwaarprocedure handhaafde de Svb het besluit en verklaarde de rechtbank Amsterdam het beroep ongegrond. De rechtbank overwoog dat vrijwillige verzekering alleen mogelijk is als deze aansluit op een voorafgaande verplichte verzekering en dat de aanvraag binnen een jaar na het einde van die verplichte verzekering moet worden ingediend. Appellante voldeed niet aan deze voorwaarden.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van het oordeel dat appellant niet in aanmerking komt voor vrijwillige verzekering, mede omdat ook het bilaterale verdrag met het woonland geen mogelijkheid tot vrijwillige verzekering biedt.

Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot de vrijwillige AOW/Anw-verzekering wordt afgewezen omdat appellant nooit verplicht verzekerd was.

Uitspraak

11/2238 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 maart 2011, 10/2279 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 7 september 2012
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft van verweer gediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2012. Appellante is niet verschenen. De svb heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M. Aalders.
OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 7 januari 2010 heeft de Svb het verzoek van appellante om toelating tot de vrijwillige verzekering AOW/Anw afgewezen. Aan dit besluit is ten gronde gelegd dat appellante, die woont in [woonland], nooit verplicht verzekerd is geweest voor de AOW/Anw. Een periode van vrijwillige verzekering dient direct aan te sluiten op een periode van verplichte verzekering.
2. Bij besluit van 4 februari 2010 is het bezwaar ongegrond verklaard. Aan de motivering neergelegd in het besluit van 7 januari 2010 wordt nog toegevoegd dat ook het Verdrag tussen Nederland en [woonland] niet voorziet in de mogelijkheid van vrijwillige verzekering.
3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe als volgt overwogen (waarbij appellante is aangeduid als eiseres en de Svb als verweerder):
“3.1. Op grond van de artikelen 34, 35 en 36 van de AOW en artikel 63, 63a, 63b van de Anw is vrijwillige verzekering op grond van de AOW en de Anw alleen mogelijk in aansluting op een periode van verplichte verzekering op grond van die wetten en voor zover de aanvraag voor toelating tot vrijwillige verzekering wordt ingediend uiterlijk één jaar na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd.
3.2. Eiseres heeft op 13 november 2009 verzocht om toelating tot de vrijwillige verzekering krachtens de AOW en de Anw. Gedurende het jaar voorafgaande aan deze aanvraag was eiseres in ieder geval niet verplicht verzekerd krachtens die wetten omdat zij toen niet in Nederland woonde of werkte. Nu eiseres nooit verplicht verzekerd is geweest voor genoemde wetten, is het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 in haar situatie niet van toepassing. Derhalve heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht geweigerd eiseres toe te laten tot de vrijwillige verzekering. Het feit dat eiseres bereid is de eventuele verschuldigde betalen alsnog te voldoen kan niet tot een ander oordeel leiden.”
4.1. In hoger beroep hebben partijen de in eerdere instanties voorgedragen standpunten in essentie herhaald.
4.2. Het geschil in hoger beroep ziet op de beantwoording van de vraag of de rechtbank met recht het beroep tegen het besluit van 4 februari 2010 ongegrond heeft verklaard.
4.3. De Raad kan zich geheel vinden in de uitspraak van de rechtbank en de daaraan ten gronde gelegde overwegingen, die de Raad tot de zijne maakt. Hetgeen door appellante is aangevoerd in hoger beroep heeft de Raad niet kunnen brengen tot een ander oordeel dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Het hoger beroep is dan ook vergeefs ingesteld.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2012.
(getekend) H.J. Simon
(getekend) M.R. Schuurman