ECLI:NL:CRVB:2012:BX6953

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-6802 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.J. Simon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:6 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek herziening AOW-pensioen wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant heeft in september 2007 een AOW-pensioen aangevraagd, dat aanvankelijk werd geweigerd. Na bezwaar kende de Sociale Verzekeringsbank (Svb) het pensioen toe met ingang van september 2006, maar niet met terugwerkende kracht tot de 65-jarige leeftijd van appellant. Appellant heeft geen rechtsmiddelen tegen dit besluit aangewend.

In juli 2010 verzocht appellant om herziening van dit besluit met een ingangsdatum gelijk aan zijn 65e verjaardag. De Svb wees dit verzoek af omdat er geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zoals vereist volgens artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bezwaar tegen deze afwijzing werd eveneens ongegrond verklaard.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij recht had op het pensioen vanaf zijn 65e verjaardag. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd en dat de Svb terecht het verzoek had afgewezen conform artikel 4:6 Awb Pro. De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.

De Raad zag geen aanleiding om artikel 8:75 Awb Pro toe te passen en wees het hoger beroep af. De uitspraak werd gedaan door rechter H.J. Simon op 7 september 2012.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de ingangsdatum van het AOW-pensioen is afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

11/6802 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2011, 11/629 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 7 september 2012
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2012. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. G.J. Oudenes.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, geboren in [geboortedatum] te [geboorteplaats], heeft enige tijd in Nederland gewerkt. In september 2007 heeft hij bij de Svb een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Na een aanvankelijke weigering heeft de Svb bij beslissing op bezwaar van 25 maart 2008 aan appellant met ingang van september 2006 een ouderdomspensioen op grond van de AOW toegekend. Daarbij is overwogen dat geen sprake is van een bijzonder geval zodat het pensioen niet met een langere terugwerkende kracht dan één jaar wordt toegekend. Tegen het besluit van 25 maart 2008 heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
1.2. Bij brief van 22 juli 2010 heeft appellant een verzoek om herziening van het besluit van 25 maart 2008 ingediend. Daarbij heeft hij de Svb verzocht om de ingangsdatum van zijn ouderdomspensioen vast te stellen op [datum], de dag waarop hij de 65-jarige leeftijd heeft bereikt.
1.3. Bij besluit van 9 september 2010 heeft de Svb het verzoek om herziening afgewezen op de grond dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 5 januari 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het verzoek om herziening is terecht afgewezen, nu daaraan geen nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb ten grondslag liggen.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij met ingang van [datum] recht heeft op een ouderdomspensioen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad verenigt zich met de hierboven aangehaalde overweging van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijke afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid van artikel 4:6 van Pro de Awb kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 Awb Pro, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. De Raad stelt vast dat appellant in zijn brief van 22 juli 2011 niet heeft aangegeven dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De Svb was dan ook bevoegd om met toepassing van art. 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen en voor de motivering te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 25 maart 2008. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat de Svb niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
4.2. Uit overweging 4.1 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2012.
(getekend) H.J. Simon
(getekend) M.R. Schuurman