ECLI:NL:CRVB:2012:BX6954

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-6158 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.J. Simon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag oudersdomspensioen met terugwerkende kracht op basis van de AOW

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 7 september 2012 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam. De appellant, geboren op een onbekende datum, had in september 2010 een aanvraag voor een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) ingediend bij het zusterorgaan van de Sociale verzekeringsbank (Svb) in zijn woonland. De aanvraag werd afgewezen door de Svb op 3 december 2010, waarna de appellant bezwaar maakte. Het bezwaar werd op 1 maart 2011 gegrond verklaard, maar de Svb besloot dat er geen bijzonder geval was dat een langere terugwerkende kracht rechtvaardigde dan één jaar. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, wat de appellant tot hoger beroep leidde.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad oordeelde dat de enkele omstandigheid dat de appellant in de veronderstelling verkeerde dat hij geen recht op AOW had, niet als een bijzondere omstandigheid kon worden aangemerkt. De Raad concludeerde dat de Svb terecht had besloten de ingangsdatum van het ouderdomspensioen op september 2009 vast te stellen. De appellant had in zijn hoger beroep aangevoerd dat hij al in september 1992 een aanvraag had ingediend bij het Bureau voor Woonland Zaken, maar de Raad vond geen aanknopingspunten dat deze aanvraag ook als een aanvraag voor een Nederlands ouderdomspensioen had moeten worden beschouwd. De Raad oordeelde dat de Svb geen verplichting had om deze aanvraag door te sturen voor verdere beoordeling.

De uitspraak werd gedaan door H.J. Simon, met M.R. Schuurman als griffier, en werd openbaar uitgesproken op 7 september 2012.

Uitspraak

11/6158 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 september 2011, 11/1894 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 7 september 2012
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2012. Namens appellant is verschenen [S. ]. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is geboren op [geboortedatum]. In september 2010 heeft hij bij het [[[woonland]] zusterorgaan van de Svb een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd.
1.2. Bij besluit van 3 december 2010 heeft de Svb de aanvraag afgewezen. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt.
1.3. Bij besluit op bezwaar van 1 maart 2011 (bestreden besluit) is het bezwaar gegrond verklaard en is het besluit van 3 december 2010 herroepen. Appellant is met ingang van 1 september 2009 een ouderdomspensioen toegekend. Er is volgens de Svb geen sprake van een bijzonder geval zodat het pensioen niet met een langere terugwerkende kracht dan één jaar wordt toegekend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe, kort samengevat, overwogen dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de AOW, nu de enkele omstandigheid dat appellant in de veronderstelling verkeerde dat hij geen recht op AOW had niet als een bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij al in september 1992 een aanvraag om een Nederlands ouderdomspensioen heeft ingediend bij het Bureau voor [[[woonland]] Zaken te Breda, waar nooit een beslissing op is genomen. Hij verkeerde daarom in de veronderstelling dat hij geen recht had op een ouderdomspensioen. Met behulp van een sociale raadsman is de onderhavige aanvraag ingediend. Appellant stelt zich op het standpunt dat de ingangsdatum van zijn ouderdomspensioen op [datum], de datum waarop hij de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, dient te worden vastgesteld.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Tussen partijen is in geschil of de Svb terecht heeft besloten de ingangsdatum van het aan appellant toegekende ouderdomspensioen vast te stellen op september 2009.
4.2. De Raad verenigt zich met de hierboven aangehaalde overweging van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. De in het hoger beroepschrift - en ter zitting nader toegelichte - stelling van appellant komt erop neer dat het Bureau voor [[[woonland]] Zaken de aanvraag om een (vervroegd) rustpensioen ingevolge de [[[woonland]] wetgeving van september 1992 tevens had moeten aanmerken als een aanvraag om toekenning van een Nederlands ouderdomspensioen. De Raad ziet in de beschikbare gegevens over die in september 1992 gedane aanvraag geen aanknopingspunten dat appellant daarmee tevens beoogde een Nederlands ouderdomspensioen aan te vragen, zodat het Bureau voor [[woonland]] Zaken deze aanvraag ook niet als zodanig ter verdere beoordeling naar de Svb had moeten doorzenden. De enkele omstandigheid dat appellant aan het Bureau voor [[woonland]] Zaken te kennen heeft gegeven een aantal jaar in Nederland te hebben gewerkt is onvoldoende om tot die conclusie te kunnen komen. Deze opgave van appellant was immers bedoeld om het recht op een [woonland] rustpensioen vast te kunnen stellen, welk pensioen kan ingaan vanaf de zestigjarige leeftijd van een rechthebbende. Verder wordt van belang geacht dat appellant eerst op [datum] de Nederlandse pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.
4.3. Uit de overwegingen 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Er worden geen termen aanwezig geacht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2012.
(getekend) H.J. Simon
(getekend) M.R. Schuurman