ECLI:NL:CRVB:2012:BX6954
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag oudersdomspensioen met terugwerkende kracht op basis van de AOW
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 7 september 2012 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam. De appellant, geboren op een onbekende datum, had in september 2010 een aanvraag voor een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) ingediend bij het zusterorgaan van de Sociale verzekeringsbank (Svb) in zijn woonland. De aanvraag werd afgewezen door de Svb op 3 december 2010, waarna de appellant bezwaar maakte. Het bezwaar werd op 1 maart 2011 gegrond verklaard, maar de Svb besloot dat er geen bijzonder geval was dat een langere terugwerkende kracht rechtvaardigde dan één jaar. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, wat de appellant tot hoger beroep leidde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad oordeelde dat de enkele omstandigheid dat de appellant in de veronderstelling verkeerde dat hij geen recht op AOW had, niet als een bijzondere omstandigheid kon worden aangemerkt. De Raad concludeerde dat de Svb terecht had besloten de ingangsdatum van het ouderdomspensioen op september 2009 vast te stellen. De appellant had in zijn hoger beroep aangevoerd dat hij al in september 1992 een aanvraag had ingediend bij het Bureau voor Woonland Zaken, maar de Raad vond geen aanknopingspunten dat deze aanvraag ook als een aanvraag voor een Nederlands ouderdomspensioen had moeten worden beschouwd. De Raad oordeelde dat de Svb geen verplichting had om deze aanvraag door te sturen voor verdere beoordeling.
De uitspraak werd gedaan door H.J. Simon, met M.R. Schuurman als griffier, en werd openbaar uitgesproken op 7 september 2012.