ECLI:NL:CRVB:2012:BX7079

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-6794 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid tot arbeid ondanks klachten

Appellant, een agrarisch productiemedewerker, meldde zich op 25 februari 2010 ziek vanwege diverse lichamelijke klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na medisch onderzoek door de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts werd hij geschikt geacht om zijn werkzaamheden te hervatten. Het UWV beëindigde daarom de uitkering per 14 juni 2010. Appellant maakte bezwaar en startte een procedure bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde.

In hoger beroep voerde appellant aan dat hij vanwege lichamelijke en psychische klachten niet kon werken en dat het opnieuw toekennen van een ZW-uitkering per 1 september 2010 onverklaarbaar was. Hij stelde dat zijn psychische klachten niet serieus waren genomen en bracht aanvullende medische verklaringen in.

De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij ook psychische aspecten waren betrokken. De aanvullende medische informatie betrof een latere periode en bood geen reden tot herziening van het oordeel over de situatie op 14 juni 2010. De Raad bevestigde het besluit van het UWV en verklaarde het hoger beroep ongegrond.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 14 juni 2010 wegens geschiktheid tot arbeid.

Uitspraak

11/6794 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 oktober 2011, 10/7040 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 12 september 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.J.W. de Water, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Water en D. Amdi als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.
OVERWEGINGEN
1. Appellant, laatstelijk werkzaam als agrarisch productiemedewerker, heeft zich op 25 februari 2010 vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving ziek gemeld wegens diverse lichamelijke klachten. Appellant is in dat verband twee maal gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts, voor het laatst op 8 juni 2010. De verzekeringsarts heeft appellant daarbij, na eigen onderzoek en verkregen informatie van de huisarts, weer geschikt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Bij besluit van 8 juni 2010 heeft het Uwv de uitkering van appellant op grond van de Ziektewet (ZW) beëindigd per 14 juni 2010. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 30 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant - in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in de rapportage van 25 augustus 2010 - ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, verkort weergegeven, overwogen dat het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsartsen gevolgd kan worden en de aanwezige medische informatie daar niet aan af doet.
3. Appellant kan zich met de uitspraak van de rechtbank niet verenigen. Allereerst heeft hij opgemerkt dat aan hem per 1 september 2010 op grond van hetzelfde klachtenpatroon opnieuw een ZW-uitkering is toegekend en het onverklaarbaar is dat hij op grond van identieke klachten eerst niet en later wel in de ZW is geaccepteerd. Appellant heeft verder - kort samengevat - gesteld dat hij op grond van zijn lichamelijke en psychische klachten niet in staat is om zijn werkzaamheden te verrichten en dat zijn klachten ook door de rechtbank niet of nauwelijks serieus zijn genomen. Ten onrechte is de informatie van psychiater R.W. Jessurun van 5 juli 2010 ter zijde gelegd. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat zijn psychische klachten zijn miskend heeft appellant een verklaring van GGZ Divers van 12 december 2011 ingebracht.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1 Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Het ten aanzien van appellant verrichte medisch onderzoek is voldoende zorgvuldig geweest. Daarbij is van belang dat de verzekeringsarts appellant zowel lichamelijk als psychisch heeft onderzocht en inlichtingen heeft ingewonnen bij de huisarts. Uit de informatie van de huisarts van 14 april 2010 blijkt dat er geen medische verklaring is voor de duizeligheid en geen diagnose gesteld kan worden voor de rugklachten. De bezwaarverzekeringsarts heeft dossierstudie verricht, appellant op de hoorzitting gezien en hem aansluitend psychisch onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts kon bij onderzoek, behoudens licht gespannenheid, geen duidelijke afwijkingen vaststellen en heeft vervolgens de conclusie van de verzekeringsarts onderschreven dat er geen medische beperkingen zijn te duiden die appellant zouden verhinderen zijn werk te verrichten. Daarbij heeft zij de informatie van de huisarts en psychiater R.W. Jessurun van 5 juli 2010 beoordeeld en meegewogen in haar oordeel.
4.2. De in hoger beroep overgelegde medische informatie van GGZ Divers van 12 december 2011 werpt geen ander licht op de zaak nu deze informatie geen betrekking heeft op de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding. Ook het feit dat aan appellant per 1 september 2010 opnieuw een ZW-uitkering is toegekend, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de in hoger beroep overgelegde rapportages van de verzekeringsarts A.L.K. Fung Fen Chung van 17 september 2010 en 8 december 2010 blijkt dat de psychische klachten van appellant per genoemde datum zijn toegenomen en dat dus sprake is van een veranderde medische situatie ten opzichte van de datum in geding, 14 juni 2010. De Raad wijst in dit verband nog naar de aanvullende rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 31 maart 2011 en 19 maart 2012.
4.3. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.2 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op juiste gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 14 juni 2010 heeft beëindigd. Het hoger beroep van appellant slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad acht geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2012.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) I.J. Penning
GdJ