ECLI:NL:CRVB:2012:BX7079
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beëindiging van de Ziektewetuitkering op basis van medische geschiktheid
In deze zaak gaat het om de beëindiging van de Ziektewet (ZW) uitkering van appellant, die zich op 25 februari 2010 ziek meldde terwijl hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving. De verzekeringsarts heeft appellant onderzocht en concludeerde dat hij weer geschikt was voor arbeid. Het Uwv beëindigde de ZW-uitkering per 14 juni 2010, wat door appellant werd bestreden. De bezwaarverzekeringsarts onderschreef de conclusie van de verzekeringsarts en stelde dat er geen medische beperkingen waren die appellant verhinderden om te werken. Appellant voerde aan dat hij opnieuw een ZW-uitkering had gekregen per 1 september 2010 en dat zijn klachten niet serieus waren genomen door de rechtbank. Hij betwistte de afwijzing van zijn bezwaar en voerde aan dat zijn psychische klachten niet goed waren beoordeeld.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank, die het beroep van appellant ongegrond had verklaard. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de informatie van de huisarts en psychiater R.W. Jessurun was meegewogen. De Raad concludeerde dat de medische situatie van appellant op de datum in geding, 14 juni 2010, niet zodanig was dat het Uwv niet tot beëindiging van de uitkering had kunnen overgaan. De in hoger beroep overgelegde medische informatie van GGZ Divers werd niet relevant geacht voor de beoordeling van de situatie op de datum in geding. De Raad oordeelde dat het Uwv op juiste gronden de ZW-uitkering had beëindigd en dat het hoger beroep van appellant niet slaagde.