ECLI:NL:CRVB:2012:BX7463

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-2324 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek herziening intrekkingsbesluit WAO wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant was sinds 1989 arbeidsongeschikt en ontving vanaf 1990 WAO-uitkeringen, die in 1996 met terugwerkende kracht werden ingetrokken. Appellant heeft destijds geen bezwaar gemaakt tegen deze intrekking. In 2009 verzocht hij om herziening van het intrekkingsbesluit, stellende dat hij nog steeds ziek was en niet kon werken. Dit verzoek werd door het UWV afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

In de bezwaarprocedure herhaalde appellant zijn standpunten en klaagde over het ontbreken van een lichamelijk onderzoek, maar ook dit bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam bevestigde het besluit van het UWV en oordeelde dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd die een herziening rechtvaardigen.

In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep heeft appellant zijn eerdere gronden herhaald en medische informatie overgelegd, maar ook deze informatie bevatte geen nieuwe feiten of omstandigheden. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees erop dat in een dergelijke procedure geen aanleiding is tot het oproepen van appellant voor een lichamelijk onderzoek. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het intrekkingsbesluit WAO wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

11/2324 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 maart 2011, 10/3728 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 september 2012
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Hierop heeft appellant gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2012. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant was van 6 juni tot 27 november 1989 werkzaam als tuinarbeider in de paprikateelt. Hij heeft zich met ingang van 27 november 1989 ziek gemeld. Een rechtsvoorganger van het Uwv heeft appellant met ingang van 26 november 1990 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkeringen zijn bij besluit van 10 juni 1996 met ingang van 4 juni 1996 ingetrokken. Hiertegen heeft appellant destijds geen beroep ingesteld.
1.2. Een andere rechtsvoorganger van het Uwv heeft bij besluit van 21 mei 2001 geweigerd om terug te komen van het besluit van 10 juni 1996 omdat geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Tegen het besluit van 21 mei 2001 heeft appellant destijds geen bezwaar gemaakt.
2.1 Appellant heeft bij brief van 24 november 2009 het Uwv andermaal verzocht het besluit van 10 juni 1996 te herzien omdat hij nog steeds ziek is en niet kan werken.
2.2. Het Uwv heeft bij besluit van 29 januari 2010 het in 2.1 vermelde verzoek afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die er toe leiden dat het besluit van 10 juni 1996 onjuist zou zijn.
3.1. In de bezwaarprocedure heeft appellant vergelijkbare gronden aangevoerd als bij zijn in 2.1 vermelde verzoek. Voorts heeft volgens appellant ten onrechte geen lichamelijk onderzoek plaatsgevonden.
3.2. Het Uwv heeft bij besluit van 1 juli 2010 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 januari 2010 ongegrond verklaard. Het Uwv stelde daarbij - onder verwijzing naar artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - vast dat noch bij het verzoek noch in de bezwaarprocedure nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 zijn Pro vermeld.
4.1. In beroep heeft appellant zijn in bezwaar aangevoerde gronden in essentie herhaald. Voorts heeft appellant informatie van de hem in [A.] behandelend specialist van 9 november 2010 overgelegd.
5.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 1 juli 2010 (betreden besluit) ongegrond.
5.2. De rechtbank heeft, na in het licht van artikel 4:6 van Pro de Awb het beoordelingskader voor een verzoek als dat van appellant te hebben uiteengezet, het bestreden besluit onderschreven. Ook volgens de rechtbank heeft appellant bij zijn verzoek en in de bezwaarprocedure geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden vermeld. Voorts stemde de rechtbank in met de toelichting op haar zitting van de zijde van het Uwv dat ook geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de in 4.1 vermelde informatie.
6. In hoger beroep heeft appellant zijn in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten in essentie herhaald.
7.1. Gegeven het door de rechtbank geschetste beoordelingskader als bedoeld in 5.2 ziet ook de Raad geen aanleiding het bestreden besluit voor onjuist te houden. Appellant heeft immers aan zijn verzoek geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb ten grondslag gelegd. Ook heeft hij deze in bezwaar niet aangevoerd. Er was voor het Uwv dan ook geen reden appellant op te roepen voor een (lichamelijk) onderzoek. De Raad tekent nog wel aan dat de rechtbank, zoals van de zijde van het Uwv ter zitting met juistheid is opgemerkt, in een procedure als deze geen rekening had moeten houden met de eerst in beroep door appellant overgelegde medische informatie. De Raad wijst hiervoor op zijn vaste rechtspraak over de toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb zoals die blijkt uit bijvoorbeeld zijn uitspraken van 30 maart 2004 (LJN AO8674) en 14 september 2007
(LJN BB3594).
7.2. Overweging 7.1 leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, zij het met gedeeltelijke verbetering van gronden, dient te worden bevestigd.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2012.
(getekend) C.W.J. Schoor
(getekend) M.R. Schuurman