ECLI:NL:CRVB:2012:BX7632
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het recht op WIA-uitkering en de medische en arbeidskundige grondslag
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 14 september 2012 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Appellant, die als hulpkok werkte, was op 1 mei 2007 uitgevallen door psychische en knieklachten. Hij heeft sindsdien parttime gewerkt, maar stelde dat hij recht had op een WIA-uitkering. Het Uwv had in een besluit van 4 december 2009 vastgesteld dat appellant geen recht had op een uitkering, omdat zijn verlies aan verdiencapaciteit minder dan 35% was. De rechtbank had dit besluit bevestigd.
Appellant heeft in hoger beroep zijn beroepsgronden herhaald en betoogd dat er ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen. Hij verwees naar medische gegevens van zijn behandelend artsen. De Raad heeft echter geen aanleiding gezien om de medische grondslag van het bestreden besluit te betwijfelen. De Raad oordeelde dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 mei 2009 correct was en dat de beperkingen van appellant adequaat waren vastgesteld. De Raad concludeerde dat er geen bewijs was dat de belastbaarheid van appellant was onderschat.
Wat betreft de arbeidskundige grondslag oordeelde de Raad dat appellant geschikt was voor zijn eigen werk als hulpkok. De keuze van appellant om zijn arbeidsovereenkomst per 1 februari 2011 voor 19 uur te beëindigen, werd niet als een bijzondere omstandigheid beschouwd die de geschiktheid voor zijn maatmanarbeid in twijfel trok. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het hoger beroep niet slaagde. Er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.