ECLI:NL:CRVB:2012:BX7800

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-2039 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbAAWWAO
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering herziening besluit arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van ontbreken nieuwe feiten

Appellant heeft bij het UWV een verzoek ingediend om terug te komen op een besluit van 10 december 1993 waarin een uitkering op grond van de AAW en WAO werd geweigerd. Dit verzoek werd door het UWV afgewezen omdat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd die een herziening rechtvaardigen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad overweegt dat de medische verklaringen die appellant aanvoert geen nieuwe feiten bevatten die niet al vóór het oorspronkelijke besluit bekend waren.

Verder is vastgesteld dat een hoorzitting niet kon plaatsvinden omdat de gemachtigde van appellant niet bereikbaar was, hetgeen voor risico van appellant komt. De Raad concludeert dat het UWV bevoegd was het verzoek zonder nader onderzoek af te wijzen en bevestigt het bestreden besluit.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek tot herziening van het besluit tot weigering van een WAO-uitkering wegens ontbreken van nieuwe feiten.

Uitspraak

11/2039 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2011, 10/1221 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 september 2012
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2012. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door A. Anandbahadoer.
OVERWEGINGEN
1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellant tegen het bestreden besluit van 26 februari 2010, waarbij het Uwv in bezwaar heeft gehandhaafd zijn besluit van 2 november 2009.
1.2. Bij besluit van 2 november 2009 heeft het Uwv geweigerd terug te komen van zijn besluit van 10 december 1993, strekkende tot weigering aan appellant met ingang van 31 mei 1988 van een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), primair op de grond dat appellant op 13 mei 1987, de datum waarop zijn verzekering voor de WAO een aanvang nam respectievelijk waarop hij een inkomen ging verdienen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de AAW, reeds volledig arbeidsongeschikt was en subsidiair op de grond dat de gezondheidstoestand van appellant op 13 mei 1987 uitval binnen zes maanden nadien kennelijk moest doen verwachten.
1.3. Het bestreden besluit berust op de grond dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), die aanleiding geven terug te komen van het besluit van 10 december 1993.
2.1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank in de eerste plaats vastgesteld dat bij uitspraak van de rechtbank van 29 september 1994, 93/4495/16, het beroep van appellant tegen het besluit van 10 december 1993 ongegrond is verklaard, welke uitspraak in hoger beroep door de Raad is bevestigd bij uitspraak van 23 oktober 1996, 94/3092 AAW/WAO. De rechtbank overwoog dat, nu aldus in rechte vaststaat dat appellant geen recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, het Uwv de aanvraag van appellant terecht heeft aangemerkt als een verzoek tot herziening.
2.2. Voorts overwoog de rechtbank dat appellant bij zijn verzoek tot herziening van het besluit van 10 december 1993 - de Raad merkt hierbij overigens op dat de rechtbank in overweging 1.2 van de aangevallen uitspraak abusievelijk spreekt van herziening van de uitspraak van de Raad van 23 oktober 1996 in plaats van herziening van het besluit van
10 december 1993 - geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb naar voren heeft gebracht.
2.3. De stelling van appellant dat hij ziek is, niet kan werken en niet voor zichzelf kan zorgen, kan niet als zodanig worden aangemerkt. Ook de door appellant ingebrachte medische verklaringen kunnen niet worden gezien als nieuw feit of veranderde omstandigheid, omdat die verklaringen geen nieuwe medische gegevens bevatten die niet vóór de genoemde uitspraak van de Raad al bekend waren. De afwijzing van appellants verzoek is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet onjuist. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1. De Raad overweegt in de eerste plaats dat, voor zover hetgeen appellant in hoger beroep aanvoert mede aldus moet worden begrepen dat hij het Uwv verwijt dat in bezwaar geen hoorzitting heeft plaatsgevonden, appellant daarin niet kan worden gevolgd. Blijkens de weergave van de gang van zaken rond de hoorzitting in het bestreden besluit, aan de juistheid waarvan de Raad geen redenen heeft te twijfelen, bleek D. Belkadi, die door appellant was gemachtigd om namens hem tijdens een (telefonische) hoorzitting het woord te voeren, bij meerdere pogingen van het Uwv om een afspraak te maken niet bereikbaar te zijn op het opgegeven telefoonnummer. Vervolgens heeft het Uwv appellant schriftelijk geïnformeerd over datum en tijdstip van de hoorzitting, met het verzoek het adres van Belkadi aan het Uwv door te geven. Hierop werd geen bericht ontvangen. Op de aangekondigde dag en het aangekondigde tijdstip is nog tot acht maal toe tevergeefs getracht telefonisch contact op te nemen met Belkadi. Gelet op deze gang van zaken dient het feit dat de hoorzitting geen doorgang heeft kunnen vinden voor risico en rekening van appellant te blijven.
3.2. Voorts overweegt de Raad dat hetgeen appellant voor het overige in hoger beroep heeft aangevoerd, slechts een herhaling vormt van wat hij bij zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 10 december 1993 alsmede in bezwaar en beroep al naar voren heeft gebracht. Appellant wijst andermaal met nadruk erop dat hij nog steeds ziek is, hij niet kan werken en nog steeds onder medische behandeling staat. De rechtbank heeft terecht overwogen dat deze stellingen van appellant niet kunnen gelden als relevant te achten nieuwe feiten en/of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Het Uwv was daarom bevoegd om zonder nader onderzoek met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, de aanvraag van appellant af te wijzen en voor de motivering te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 10 december 1993.
3.3. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2012.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) I.J. Penning
JL