ECLI:NL:CRVB:2012:BX8112

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-2743 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.G. Treffers
  • J.Th. Wolleswinkel
  • R. Kooper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15:1 ARGArt. 15:1:19 ARGArt. 8:13 ARGArt. 8:8 ARGArt. 8:6 ARG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag wegens onherstelbare arbeidsrelatie en schorsing met toegangontzegging bevestigd

Appellant was werkzaam bij de gemeente en meldde zich ziek wegens psychische klachten. Na pogingen tot re-integratie en overleg besloot het college tot schorsing en ontzegging van toegang tot werkterreinen vanwege toenemend intimiderend en agressief gedrag van appellant, waaronder het lezen van niet voor hem bestemde e-mails.

Het college verleende appellant ontslag op grond van een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie. Appellant stelde beroep in tegen zowel het ontslag als de schorsing en toegangontzegging. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de schorsing niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van concrete beroepsgronden, maar de Raad vernietigde dit oordeel en oordeelde dat appellant wel degelijk gronden had aangevoerd.

De Raad bevestigde het ontslag wegens de onherstelbare impasse en oordeelde dat het college in redelijkheid tot het besluit kon komen. Het beroep tegen de schorsing en toegangontzegging werd ongegrond verklaard. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.

Uitkomst: Het ontslag en de schorsing met toegangontzegging worden bevestigd, het beroep tegen schorsing wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

11/2743 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 april 2011, 10/3917 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van [S.] (college)
Datum uitspraak: 20 september 2012
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. C.J.M. Scheen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.T.B. Salomons, advocaat, en R.C. Rusman.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant was werkzaam als medewerker Interne Controle bij de afdeling Financiën van de gemeente [S.]. Op 20 februari 2006 heeft appellant zich ziek gemeld wegens psychische klachten. Op 23 december 2008 is overleg tussen partijen gevoerd over de mogelijkheden het verleden te laten rusten. Afgesproken is dat appellant niet zou terugkeren naar de afdeling Financiën en op 1 februari 2009 zou beginnen te re-integreren bij het [D.].
1.2. Omdat het college voornemens was appellant onvoorwaardelijk ontslag te verlenen, heeft het hem bij besluit van 24 juli 2009 (besluit 1) met toepassing van artikel 8:15:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Den Haag (ARG) geschorst; tevens heeft het college hem hierbij op grond van artikel 15:1:19 van Pro de ARG de toegang tot alle werkterreinen van de dienst Stadsbeheer ontzegd. Bij besluit van 28 september 2009 (besluit 2) heeft het college appellant (primair) met toepassing van artikel 8:13 van Pro de ARG met onmiddellijke ingang strafontslag verleend; subsidiair met toepassing van artikel 8:8 van Pro het ARG ingaande 1 november 2009 ontslag verleend wegens een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie en meer subsidiair met toepassing van artikel 8:6 van Pro het ARG ingaande
1 oktober 2010 ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking. Bij besluit van 3 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het college na door appellant gemaakte bezwaren besluit 1 gehandhaafd en besluit 2 herroepen voor zover dit de primaire en meer subsidiaire ontslaggronden betreft. Het college heeft besluit 2 gehandhaafd waar het gaat om ontslag op de subsidiaire grond; tevens heeft het college appellant alsnog een bedrag van € 15.000,- als financiële compensatie toegekend alsmede een bedrag van € 7.500,- voor re-integratie naar ander werk.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard voor zover dit was gericht tegen de handhaving van besluit 1 en ongegrond verklaard voor zover dit was gericht tegen de (gedeeltelijke) handhaving van besluit 2. De niet-ontvankelijkverklaring berust op de overweging dat appellant met betrekking tot besluit 1 geen concrete beroepsgrond heeft ingediend.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Het ontslag
3.1. Appellant heeft uitsluitend bezwaar tegen het opgelegde ontslag als zodanig; (de hoogten van) de bij het ontslag toegekende geldbedragen blijven hier dus buiten beschouwing.
3.2. Het college stelt zich op het standpunt dat vruchtbare samenwerking met appellant niet meer mogelijk is. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank min of meer uitvoerig weergegeven welke concrete feiten en omstandigheden tot dit standpunt hebben geleid. Volgens de rechtbank bieden deze voldoende feitelijke grondslag voor het oordeel dat sprake was van een onherstelbare impasse. De Raad deelt dit oordeel evenals de overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben gebracht. Zo heeft appellant in de loop van 2009 toenemend intimiderend en ook agressief gedrag laten zien en heeft hij zelfs niet voor hem bestemde e-mail berichten van medewerkers van de afdeling P&O gelezen en bewaard.
3.3. Het hoger beroep slaagt niet op dit onderdeel. De aangevallen uitspraak moet in zoverre worden bevestigd.
De schorsing en ontzegging van de toegang
4.1. Het beroep van appellant bij de rechtbank is uitdrukkelijk gericht tegen beide onderdelen van het bestreden besluit (besluiten 1 en 2). De gronden die appellant tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd hebben, zoals hij heeft benadrukt, alle betrekking op beide onderdelen van het bestreden besluit. Gelet hierop kan, wat er ook zij van de inhoud van de door appellant aangevoerde gronden, niet worden staande gehouden dat appellant zijn beroep op dit onderdeel niet van gronden heeft voorzien. Daar komt bij dat in artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voorgeschreven dat de indiener van het beroep de gelegenheid krijgt het verzuim binnen een hem daartoe gestelde termijn te herstellen wil het beroep wegens dit verzuim niet-ontvankelijk verklaard kunnen worden. Niet gebleken is dat appellant deze gelegenheid heeft gehad.
5. Hieruit volgt dat de rechtbank het beroep tegen dit onderdeel ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aangevallen uitspraak moet daarom in zoverre worden vernietigd.
5.1. Uit het oogpunt van finale geschilbeslechting komt de Raad nu toe aan een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar van appellant tegen dit onderdeel van het bestreden besluit.
5.2. De Raad stelt vast dat appellant ook in hoger beroep geen gronden tegen dit onderdeel heeft ingebracht die zijn te onderscheiden van die tegen het andere onderdeel (ontslag) van het bestreden besluit. Gezien het oordeel van de Raad over dit andere onderdeel is geen plaats aanwezig voor de opvatting dat het college niet in redelijkheid tot het nemen van besluit 1 heeft kunnen overgaan.
5.3. Het beroep is op dit punt dus ongegrond. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad in deze zin beslissen.
6. Hierin vindt de Raad aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 874,- voor verleende rechtsbijstand.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep van appellant
niet-ontvankelijk is verklaard;
- verklaart het beroep op dit onderdeel ongegrond;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 874,-;
- bepaalt dat het college aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 227,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2012.
(getekend) J.G. Treffers
De griffier is buiten staat te tekenen