ECLI:NL:CRVB:2012:BX9905

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-2257 WAZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAZ-uitkering wegens ontbreken arbeidsongeschiktheid voor 1 augustus 2004

Appellant, een zelfstandig ondernemer die 70 tot 80 uur per week werkte, vroeg op 13 mei 2005 een WAZ-uitkering aan. Het UWV hield de aanvraag aan op verzoek van appellant totdat aanvullende gegevens beschikbaar waren. In april 2010 wees het UWV de aanvraag af omdat geen aanwijzingen bestonden dat appellant vóór 1 augustus 2004 arbeidsongeschikt was. Dit besluit werd in juli 2010 bevestigd bij bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de arbeidsongeschiktheid na 1 augustus 2004 geen recht op WAZ-uitkering geeft en appellant geschikt is voor zijn eigen werk.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen, wijzend op bewijsproblemen door de lange periode tussen aanvraag en beoordeling en betoogde dat de rechtbank te marginaal had getoetst. De Raad oordeelde dat appellant zelf om aanhouding van de aanvraag had gevraagd en dat eventuele bewijsproblemen voor zijn risico zijn. Het medisch onderzoek werd niet onjuist geacht en de geschiktheid voor eigen werk werd bevestigd. De Raad concludeerde dat er geen aanwijzingen waren dat de beperkingen vóór 1 augustus 2004 aanwezig waren, mede gelet op de verklaring van de behandelend KNO-arts.

De Raad zag geen reden om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en bevestigde het bestreden besluit. Tevens werd geen proceskostenveroordeling toegewezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAZ-uitkering wegens ontbreken van aantoonbare beperkingen vóór 1 augustus 2004.

Uitspraak

11/2257 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 maart 2011, 10/3727 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 5 oktober 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Voor het Uwv is verschenen mr. H.B. Heij.
OVERWEGINGEN
1. Appellant was werkzaam als zelfstandig ondernemer voor 70 tot 80 uur per week. Op 13 mei 2005 heeft hij een uitkering krachtens de Wet Arbeidsongeschiktheidverzekering Zelfstandigen (WAZ) aangevraagd. Bij schrijven van 9 juni 2005 heeft het Uwv appellant bericht de aanvraag, zoals door zijn gemachtigde is verzocht, aan te houden totdat er meer gegevens bekend zijn. In juni 2009 heeft appellant de ontbrekende stukken ingediend.
2. Bij besluit van 1 april 2010 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een WAZ-uitkering.
3. Bij besluit van 6 juli 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar, gemaakt tegen het besluit van 1 april 2010, ongegrond verklaard.
4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gericht tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Van belang is de datum 1 augustus 2004. Per die datum is de Wet einde toegang verzekering WAZ in werking getreden. Dit betekent dat arbeidsongeschiktheid op of na die datum aangevangen niet langer relevant is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht besloten dat appellant niet in aanmerking kan komen voor een WAZ-uitkering, omdat op grond van de beschikbare gegevens geen aantoonbare aanwijzingen zijn dat er voor 1 augustus 2004 sprake was van beperkingen als gevolg van arbeidsongeschiktheid. Appellant is terecht geschikt geacht voor zijn eigen werk.
5. In hoger beroep heeft appellant de gronden van het beroep herhaald. Appellant is van mening dat hij door de lange periode die is gelegen tussen de datum van de aanvraag en het moment van de beoordeling in de bewijsproblemen is geraakt. Daarnaast heeft de rechtbank te marginaal getoetst. Appellant heeft wel degelijk aangetoond dat hij beperkt is.
6.1. De Raad overweegt als volgt.
6.2. Uit hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het standpunt dat de rechtbank tot een onjuiste beoordeling is gekomen. De Raad overweegt, met de rechtbank, dat appellant zelf om aanhouding van de aanvraag om een WAZ-uitkering heeft gevraagd en dat, indien hij daardoor in een moeilijkere bewijspositie is gekomen, dit voor zijn rekening en risico komt. De Raad ziet geen reden om het medisch onderzoek naar de beperkingen onjuist te achten. Appellant is geschikt geacht voor zijn eigen werk. In de op grond van de WAZ verzekerde periode tot 1 augustus 2004 verrichte appellant dat werk nog, zodat er geen reden is aan te nemen dat het Uwv hem ten onrechte geschikt heeft geacht voor zijn eigen werk. De Raad stelt voorts vast dat zijn behandelend KNO-arts in zijn brief van 22 februari 2005 heeft vermeld dat appellant recent enkele malen was gezien in verband met progressieve nachtelijke apneus, zodat er geen aanknopingspunten zijn dat dit ook voor 1 augustus 2004 in die mate aanwezig was. Evenmin ziet de Raad in dat de rechtbank te marginaal heeft getoetst.
6.3. Uit hetgeen is overwogen in 6.2 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2012.
(getekend) C.W.J. Schoor
(getekend) M.R. Schuurman
KR